De Antwerpse fortuinen: kapitaalaccumulatie, -investering en -rendement te Antwerpen in de 18de eeuw
Dr. Karel Degryse (1950-2004)


Op 20 augustus 2004 overleed, op 53 jarige leeftijd, dr. Karel Degryse. Hij was archivaris van het Vlaams Parlement, secretaris-generaal bij de Koninklijke Belgische Marine Academie en secretaris van het Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis. Het is vanuit deze laatste organisatie dat, samen met het departement geschiedenis van de Universiteit Antwerpen, het initiatief werd genomen om zijn tot op heden ongepubliceerd gebleven doctoraat over de de Antwerpse fortuinen in de 18de eeuw te publiceren, niet enkel als eerbetoon aan een diepbetreurde collega, maar ook vanwege de bijzondere wetenschappelijke waarde ervan. Het betreft immers een werkstuk dat ons een beeld schetst van de sociaal-economische realiteit in de ganse Oostenrijkse Nederlanden en dat zelfs een internationale dimensie heeft. Komen o.m. aan bod: de diverse handelsondernemingen, maritieme expedities, het bank- en financiewezen, binnen- en buitenlandse beleggingen zowel in roerend als onroerend goed (stedelijke woningen maar ook hoven van plaisantiën, hoeven en landerijen) en een stukje mentaliteitsgeschiedenis. Het integrale doctoraat is begin 2006 verschenen als bijzonder nummer (jaarboek) van de "Bijdragen tot de Geschiedenis", jaargang 2005, en de onschatbare bijlagen werden als cd-rom toegevoegd. Het werd feestelijk voorgesteld op de Stadscampus op dinsdag 4 april 2006. Het programma vindt u op de pagina lezingen, de toespraak van erevoorzitter dr. Asaert vindt u hier.


Beknopte inhoudstafel

1. Het uitgangspunt: de Antwerpse fortuinen op het einde van de 18de eeuw.

DEEL I: Kapitaalaccumulatiemogelijkheden te Antwerpen in de 18de eeuw
2. De handel op Spanje
3. Opkomst en verval van de particuliere handel op Oost-Indië
4. De handelswinsten na 1730
5. De Antwerpenaars als industriële ondernemers
6. Het Antwerpse financiewezen in de 18de eeuw
7. De Antwerpse koopmansmentaliteit en de overgang naar het renteniersbestaan en de adel

DEEL II: De samenstelling en het rendement van de Antwerpse fortuinen
8. Het niet- of gedeeltelijk uitgezet kapitaal
9. Binnenlandse beleggingen in onroerende goederen
10. Binnenlandse, niet-risicodragende beleggingen in roerende goederen
11. Buitenlandse, niet-risicodragende, roerende bezittingen
12. De binnenlandse, risicodragende beleggingen
13. De buitenlandse, risicodragende beleggingen
14. Slotbeschouwingen over de buitenlandse en risicodragende beleggingen
15. Het rendement van de Antwerpse fortuinen
16. Huwelijks- en fortuinpolitiek bij de Antwerpse financiële elite

BIJLAGEN[1]
Ia. De Antwerpse A-families
Ib. De Antwerpse B-families
II. Aandeelhouders in de particuliere Oostendse Oost-Indiëvaarders:
            a. De “Prins Eugenius” (1720)
            b. Het “Huys van Oostenryck” (1721)
            c. De “Carolus VI” (1723)
III. De Oostendse particuliere Oost-Indiëvaarders: chronologisch overzicht
IV. De resultaten van de investeringen in de particuliere Oost-Indiëvaarders:
            a. door Paulo Martino de Pret
            b. door Arnold de Pret
V. De Oostendse Oostindische bodemarijen van Arnold de Pret
VI. De Scandinavische Oost-Indiëhandel
            a. Voorwaarden voor Zweedse bodemarijcontracten
            b. De beleggingen van de weduwe Arnold de Pret (1732-53)
            c. De opbrengsten van de beleggingen in de Zweedse O.I.C. (1732-1753)
            d. De opbrengsten van de Zweede bodemarijen
            e. De opbrengsten van de Deense bodemarijen
VII. De opbrengsten van één achtste part in de katoendrukkerij van Dambrugge (1757-1801)
VIIIa. De inkomsten van Adriaan Janssens en zijn weduwe (1747-1810)
VIIIb. De uitgaven en kapitaalrekening van Adriaan Janssens en zijn weduwe (1747-1810)
IX. De valsmunterij van 1725 (kroniektekst)
Xa. De koersevolutie van de aandelen van de Oostendse Compagnie (1727-1731)
Xb. Benaderde winsten gemaakt door een oordeelkundige verkoop van GIC-acties
XI. De samenstelling van de Antwerpse fortuinen
XII. Het aandeel van het “liggende” geld in het fortuin van de weduwe Arnold de Pret (1735-1758)
XIII. De woonhuiswaarde (>10.000 fl.) volgens de telling van 1796.
XIV. De aandeelhouders van de Oostendse Compagnie
XV. Brief van Jacomo de Pret over de buitenlandse beleggingen
XVI. Kapitaal- en rendementsevolutie van het fortuin van weduwe Arnold de Pret (1735-1758)
XVII. Verantwoording van de verliezen geleden tussen 1790 en 1810 door Filips van de Werve, baron van Schilde.



[1] Bijlagen Ia en Ib worden in html aangeboden en zijn bijgevolg intern opzoekbaar. De overige bijlagen worden fotografisch aangeboden.

 

Enkele fragmenten

uit hoofdstuk 1

... De families die met moeite één miljoen £.t. bereikten, waren slechts 4 in getal, namelijk de Auvrays, van Eersels, Guyots en van Praets. De namen van de 33 overige, die dus de top van de Antwerpse financiële elite uitmaakten, waren in alfabetische volgorde: Beerenbroeck, du Bois, van der Borght, Bosschaert, le Candele, Cogels, van Colen, Cornelissens, van Ertborn, della Faille, Fraula, Geelhand, Gilles, Gilman, Goos, van Havre, van Kessel, Knyff, Lunden, Moretus, Osy, d'Oultremont, de Pret, Roose, Stiers, Ullens, Vekemans, Vermoelen, Vinck, de Wael, Wellens, van de Werve en de Witte.
Ook de 37 B-families -zij die tussen 500.000 en één miljoen £.t. bezaten- telden in hun rangen leden die al rijker waren dan de andere. Het was echter onbegonnen werk de rijksten onder hen uit te zoeken. Veel meer dan bij de A-families het geval was, spraken de verschillende bronnen zich tegen. De vermelde bedragen schommelden wel binnen de limieten van de B-groep, maar onder de opeenvolgende kapitaalschattingen en de uiteindelijk te verstrekken som viel weinig logica te bekennen. Daarom geven we deze 37 familienamen gewoon in alfabetische volgorde. Het is duidelijk dat een groot gedeelte van die families, samen met de 4 minder rijke miljonairs , een niet onbelangrijke overgangsgroep vormde naar de 33 topfamilies. Ziehier de alfabetische lijst: van Asten, Auvray, Baillet, Beekmans, Borrekens, de Broëta, de Bruyn, Cambier, Carpentier, Caters, van den Cruyce, van Delft, van Eersel, Gilbert, Goetsbloets, Goubau, Grigis, Guyot, van Hal, d'Henssens, van Heurck, van Hougaerde, Kannekens, de Labistraete, van Lancker, van Mael, de Man, Martini, Mens, Mertens, de Meulenaer, Mols, de Neuf, Pieters, van Praet, 't Serwouters, van Setter, Soolmaeckers, Vloers, de Vos en Werbrouck
De volgende Antwerpenaars behoorden ooit ook tot de A-families van de 18de eeuw: de Bie, Borrekens , Broeckmans, Cheeus, Cloots, de Coninck, van Delft, Emtinck, Goubau, Janssens de Bisthoven, de Man, Melijn, de Neuf, Peeters, Peytier, Proli, Schilders, van Susteren, Vernimmen en de Vlieghere. De reeks verdwenen B-families die we terugvonden is naar alle waarschijnlijkheid niet zo volledig als die van de A-families omdat er meer twijfelgevallen waren en ook omdat ze door hun geringer fortuin meer kans hadden om door de mazen van het net te glippen. Het waren in alfabetische volgorde: van der Aa , Boon, Chauvin , de Clerck, de Clèves, Comperis, de Cordes, van Diest, Engelgraeve, Forchoudt, Gansacker, Heesmans, Hellin, de Heuvel, van Laer, de Lannoy, de Licht, Meyers, Moens, de Mont, Nackens, van Pruyssen, van Roosendael, Schenaerts, van Scherpenberg, Schut, Solvijns, Tholinckx, Verbiest, Vincque en de Winter. Het algemeen totaal van de A-families wordt daardoor op 56 gebracht, en dat van de B-families op 72. ...

uit hoofdstuk 3

3.1.2 De opbrengsten van de Oost-Indiehandel

... Naast het groot aantal gekaapte schepen en het enigszins falen van de zeeverzekeringen was echter ook de onderlinge concurrentie een belangrijke factor in het laag rendement van de particuliere Oost-Indische handel. Door­dat de markies van Prié de paspoorten voor 1719 met gulle hand had uitgedeeld, deed zich in dat jaar een geweldige stijging van het aantal uitredingen voor. De beleggingen van de gebroeders De Pret bleven echter aan de voorzichtige kant. De bedragen waren niet te hoog, alles verzekerd en een grote  risicospreiding. Tegen het einde van 1719  raakte echter het fabuleuze winstpercentage van 189% bekend, dat Cloots op zijn Chinavaarder van 1718 gemaakt had. Toen bleek dat een Frans Malabarschip van datzelfde jaar ook al 166% gerendeerd had, steeg de euforie ten top. Hoe hoog de verwachtingen gespannen waren, vinden we terug in een brief van Cloots aan Maelcamp waarin hij wist te vertellen dat een Mokaschip in Nantes "maer 100%" had opgebracht en dat van het vorige jaar "maer 80%". Ook de gebroeders De Pret bleven niet onverschillig. De bedragen die ze per schip investeerden werden in 1720 sterk opgedreven zodat ze toen in totaal niet minder dan 12.860-7-8 £.V1. bereikten. De ex­pedities van 1719 waren echter al niet meer zo'n onverdeeld succes. Slechts de Chinahandel, mede doordat die van tegenslagen gespaard bleef, wierp verder mooie winsten af. Men was in 1721 dan ook niet zo enthousiast meer en het totale investeringsbedrag per schip daalde bij de De Prets zienderogen. ...

uit hoofdstuk 8

8.2 Zilver, goud en juwelen

Juwelen, diamanten, gouden en zilveren sieraden en vooral ook de zilveren huisraad, behoorden traditioneel tot de bezittingen van de financiële elite. Zo behoorde het tot de lokale huwelijksgeplogendheden dat de bruid door de bruidegom van stand bedacht werd met enkele waardevolle juwelen. Deze familiejuwelen deden niet alleen dienst als statussymbool maar ook als een belangrijke en handige kapitaalreserve, die vooral haar nut bewees wanneer militaire of andere dreiging een plots vertrek uit de stad noodzakelijk maakte. Toch komt dit soort bezittingen niet in alle "Scheydingen en deylingen" voor. De oorzaak daarvan ligt in de voorafgaande verkavelingen van zilver en juwelen die toen meer voorkwamen. Wanneer deze posten vermeld worden in de "Scheydingen en deylingen", dan biedt dit nog geen garantie voor de volledigheid ervan. Het is immers mogelijk dat een gedeelte van de juwelen en het zilverwerk in een voorafgaandelijke venditie openbaar werd verkocht en dat de opbrengsten ervan verrekend werden onder de contanten.. In dat geval komen slechts de stukken die de erfgenamen overnamen, in de kaveling voor. Betrouwbaarder gegevens bieden ons de staten van nalatenschappen die nooit echt verkaveld werden aangezien alles integraal door de weduwe werd overgenomen. Dat was bv. het geval met de erfenissen van P. Proli en P.J. Cloots. Ook de boekhoudkundige balansen zijn bruikbaar, tenminste indien ze zich niet beperken tot het uitgezet kapitaal. Op basis van deze betrouwbaardere maar helaas niet zo talrijke bronnen, kunnen we voorzichtig besluiten dat het aandeel van zilver, goud en juwelen tussen 4 en 6% schommelde, met de 6,3% van P. Proli als maximum en de 0,5% van J.J. Moretus in 1729 als uitschieter naar beneden. We betwijfelen trouwens de waarde van dit laatste percentage. De uitzonderlijke lage waarden van alle niet-uitgezette kapitalen in de balans van Moretus, laten vermoeden dat het om gefossiliseerde posten gaat. Er werd ook geen rekening gehouden met de fortuinstaten en balansen van na 1794, aangezien het aandeel van het zilver er abnormaal laag was wegens de inbeslagname van dat edelmetaal door de Franse bezetters in 1794.

Tabel uit 8.5 Gedeeltelijk uitgezette goederen: de buitenverblijven

Eigendom

Waarde

Aandeel in fortuin

heerlijkheid 's Gravenwezel, met landerijen en kasteel (J.A. van Susteren, 1764)

173.247

8,6%

baronie van Schilde, met kasteel, 8 hoeven en 50 bunder land (weduwe Cloots, 1728)

100.915

12,6%

graafschap Vorselaar, met landerijen en kasteel (weduwe Van de Werve-de Pret, 1781)

100.000

9,6%

heerlijkheid Vordensteyn te Schoten, met kasteel, hoeve en minstens 80 bunder land (Peeters, 1790)

90.000

12,1%

kasteel te Hemiksem met inboedel en 60 bunder land
(P.F. Schilders, 1774)

84.300

5,5%

"Hof ter Dorpe", speelhuis met 4 hofsteden en 65 bunder land te Mortsel, Berchem en Edegem (Goubau, 1725)

80.000

*23,7%

"Ter Borcht", hof van plaisantie te Ekeren-Donk met bossen, twee pachthoeven, twee kleine hofsteden en 57 bunder land (weduwe F.J. Moretus, 1775)

67.038

*

heerlijklijkheid van Aartselaar (Peeters, 1761)

62.080

 

heerlijkheid van Merksem en Dambrugge (Geelhand, 1777)

50.000

3,5%

"Waelenhof" speelhuis met hofsteden en 47 bunder land te Niel en Schelle (Goubeau, 1725)

47.000

*13,9%

heerlijkheid Schoten, met kasteel, hoeve, landerijen, bos en heide (Cornelissen, 1792)

35.000

*2,8%

speelhuis met landerijen te Moerzeke (Cornelissen, 1792)

25.538

*2%

speelhof "Scaldisburg" met hoeven en 26 bunder land te Hoboken (J.J. Moretus, 1757)

24.000

1,5%

"Capenberch, hof met hoeve en 17 bunder land te Bouchout (weduwe F.J. Moretus, vanaf 1774)

17.742

*

"Hof ter Linden", hof van plaisantie met 14 bunder land te Edegem (S.B. de Neuf, 1741)

16.021

 

"Hof ter Hoge Poorte" met hoeve en 9,5 bunder land te Hemiksem (J. de Pret, 1774)

10.200

1,3%

speelhuis met land te Deurne (J.M. Melijn, 1711)

9.000

6,8%

"Meerminne" speelhof te Berchem (P. Proli, 1733)

8.110

1%

"Lintworm" speelhof te Berchem (D. Melijn, 1749)

5.700

2,4%

"Ravelsberch", hofstede met huis van plaisantie en 2,5 bunder land te Deurne (J. de Mont, 1702)

3.200

1,6%


uit hoofdstuk 16

'... en leur (les enfans) procurant un etablissement on suit ordinairement l'ancien systeme: si vis nubere, nube pari." (SAA, IB 1683: brief van Jacomo de Pret aan N. Jouin te Parijs, 25 juli 1736).

16.1 De instandhouding van het fortuin: algemene probleemstelling

Uit het vorige hoofdstuk bleek duidelijk hoe laag het reëel rendement en de uiteindelijke jaarlijkse kapitaalgroei van de Antwerpse renteniersfortuinen wel waren. Gezien deze zeer beperkte groei stelde zich het probleem van de instandhouding van het familiefortuin . Wanneer een nalatenschap immers definitief over een te groot aantal erfgenamen werd verdeeld dan had dat een blijvende versnippering ervan tot gevolg, waardoor de kinderen het financieel niveau van hun ouders niet meer konden halen. Het kwam er dus op aan een definitieve versnippering te verhinderen. Een eerste mogelijkheid daartoe bestond erin het aantal kinderen te beperken. C. Vandenbroeke stelde voor de Zuidnederlandse adel in 't algemeen - en daartoe behoorde ook grotendeels de Antwerpse financiële elite - een stijgende geboortebeperking vast naar het einde van de 18de eeuw toe. In hoeverre dat ook onder de Antwerpse gefortuneerden het geval was, zullen we proberen na te gaan aan de hand van ons beknopt demografisch onderzoek over de rijkste 60 families . Naast de eigenlijke geboortebeperking bestond er evenwel nog een andere methode om de definitieve versnippering van de fortuinen tegen te gaan: het beperken van het aantal huwelijken onder de nakomelingen. Louter theoretisch gezien ging er niets van het familiepatrimonium verloren wanneer er slechts twee kinderen huwden met even kapitaalkrachtige partijen. Wat door de ongehuwde nakomelingen werd geërfd kwam immers vroeg of laat terug in het bezit van de getrouwde broer(s) en zusterts) of de kinderen daarvan. Dat een dergelijke restrictieve huwelijkspolitiek wel meer voorkwam binnen gefortuneerde milieus blijkt o.a. uit uiteenlopende studies als deze over de burgerij van Beauvais tijdens de 17de eeuw, de 18de-eeuwse Toulousaanse adel en de West-Vlaamse provincieraadsleden tijdens de 19de eeuw. Of dit huwelijkspatroon ook onder de Antwerpse elite voorkwam tijdens de 18de eeuw, zullen we in de volgende paragrafen onderzoeken, eerst via een concreet en goed gedocumenteerd voorbeeld (de familie De Pret) en vervolgens via het globale demografische onderzoek over de rijkste 60 Antwerpse families.

uit bijlage 1: overzicht families met een uitgewerkt voorbeeld (A en B)

Alfabetisch overzicht van de families

(gesorteerd bij gelede namen op het laatste deel van de naam: Van Susteren vindt u bij de letter S)

A Van der Aa (B), Van Asten (B), Auvray (A),
B De Baillet (B), Beeckmans (B), Beerenbroek (A), De Bie (A), (Janssens)- De Bisthoven (A), Du Bois (A), Boon (B), Van der Borcht (A), Borrekens  (A), Bosschaert (A), Broeckmans (A), De Broeta (B), De Bruyn (B)
C Cambier (B), Le Candele (A), Carpentier (B), De Caters (B), Chauvin (B), Cheeus (A), De Clerck (B), De Cleves (B), Cloots (A), Cogels (A), Van Colen (A), Comperis (B), De Coninck (A), De Cordes (B), Cornelissen (A), Van den Cruyce (B)
D Van Delft (A), Diercxsens (B), Van Diest (B)
E Van Eersel (A), Emtinck (A), Engelgraeve (B), Van Ertborn (A),
F Della Faille (A), Forckhoudt (B), Fraula (A)
G Gansacker (B), Geelhand (A), Gilbert (B), Gilles (A), Gilman (A), Goetsbloets (B), Goos (A), Goubau (A), Le Grelle (B), Grigis (B), Guyot (A)
H Van Hal (B), Van Havre (A), Heesmans (B), Hellin (B), Henssens (B), Van Heurck (B), De Heuvel (B), De Heyder (A), Hoegaerts (B)
J Janssens (A)
K Kannekens (B), Van Kessel (A), Knyff (A), Kramp (B)
L De Labistraete (B), Van Laer (B), Van Lancker (B), De Lannoy (B), De Licht (B), Lunden (A)
M Van Mael (B), De Man (A), Martini (B), Melijn (A), Mens (B), Mertens (B), (De) Meulenaer (B), Meyers (B), Moens (B), Mols (B), Du Mont (De) Mont (B), Moretus (A)
N Nackens (B), De Neuf (A)
O Osy (A), d'Oultremont (A)
P Peeters (A), Peytier (A), Pieters (B), Van Praet (A), De Pret (A), Proli (A), Van Pruyssen (B)
R Roose (A), Van Roosendael (B)
S Schenaerts (B), Van Scherpenbergh (B), Schut (B), Schilders (A), 't Serwouters (B), Van Setter (B), Smets (A), Solvijns (B), Soolmaecker (B), Stevens (B), Stier (A), Van Susteren (A)
T Tholincx (B)
U Ullens (A)
V Vekemans (Vecquemans) (A), Verbiest (B), Vermoelen (Vermeulen) (A), Vernimmen (A), Vinck (A), Vincque (B), De Vlieghere (A), Vloers (B), De Vos (B)
W De Wael (A), Wellens (A), Werbrouck (B), Van de Werve (A), De Winter (B), De Witte (A), De Wolf (B)

 

De Antwerpse A-families

Smets

A. Bronnen: Par. reg. Sint-Walburgis (SAA); A. THIJS, Bulletins de la propriété, 1887, p. 81-82, 1882, p. 151, 1892, p. 64; SAA, SR 1312, f° 929: verkaveling van de nalatenschap weduwe Smets, 16/10/1792; SAA, IB 2069: grootboek van J.M. Smets en weduwe (1756-1772); zie ook hoofdstuk 6.3.

B. Belangrijke data: niet geadeld, geen openbare functies, groot-aalmoezeniers of universitairen, geen paardenbezit.

C. Belangrijke leden:

1. Jan Maarten Smets (+ 1762)

2. Joannes Guillielmus Smets (1749-1818), zoon van Jan Maarten

D. Huwelijkspolitiek

  totaal jong gehuwden ongehuwden
  (z-d) +   leken sec. reg.
Smets X            
ca. 1744 Van Dongen 10 (4-6) 3 (2-1) 3 (1-2) 4 (1-3)    
1794 Verhelst 0          

Aangetrouwde families:
ca. 1744 Van Dongen; 1791 PIETERS (z.n.?); 1793 Peeters z.n.; 1794 Verhelst z.n. (van Merksem)

 

De Antwerpse B-families

Van der Aa

A. Bronnen: F.V. GOETHALS, Dictionnaire, vol. 1,  p. 1-4; SAA, Pk.3281 (gen. nota's Donnet) nr.1; SAA, Pk.3254 (gen. nota's Bisschops) nr.1; A.R., Handschr.verz.4151 (verz. Goovaerts); R. BAETENS, De nazomer, vol. 1,  p.118 en 139; F. PRIMS, Geschiedenis van Wilrijk,  p. 322; SAA,  Not.4042 (Van Griensven): inventaris wwe Melchior van der Aa, dec. 1691 ; SAA, Proc.suppl. 886.

B. Belangrijke data:

C. Belangrijkste leden:

Denijs van der Aa (1515-na 1591), was wagenmaker in de "Goudbloeme" aan de Paardenmarkt (1584: belastingklasse IX a X). Zijn zoon Adriaen (+ vóór 1602) was houthandelaar. Deze had een zoon Pieter (1586-1638), die eerst "boxmaker", later "coopman" werd genoemd. Hij huwde in 1610 Maria Versteghen (+1622) en in 1623 Catharina Goris (1592-1647), uit een familie van zijdekooplieden. Met zijn broer Hendrik legde hij zich toe op de handel rr.et Spanje en Italië. Zijn zoon Melchior (1627-1678) was textielhandelaar, en huwde in 1649 Anna Macguereel (°1615) en in 1658 Sara van Breusegem (1635-1691). Hij woonde aan de Oude Beurs waar hij in 1678 1 paard bezat. Zijn zoon Jacob Hyacinth (°1673), was vermoedelijk ook koopman. Hij huwde in 1702 Maria Cornelia van den Bossche, dochter van een wijnkoopman. Hun enige zoon Abraham (1703-1769), huwde de kapitaalkrachtige Maria de Vlieghere (+ 1771) in 1732. Hij was waardijn van de Munt en woonde in de Muntstraat waar hij in 1747 ca. 300 fl. hoofdgeld betaalde. Zijn zeven kinderen huwden echter allemaal zodat het bezit versnipperd werd. Zoon Gaspar (1740-1803) huwde in 1764 Isabella Lunden (1740-1821) en participeerde o.a. in de koloniale handelsondernemingen van de jaren tachtig. Zijn fortuin werd in 1796 op 100.000 £.t. geschat. Paul-Joseph (1741-1801), een tweede zoon huwde in 1768 Joanna Maria van Delft (1747-1785). Hij woonde in 1796 aan het Muntplein, waar zijn fortuin ook op 100.000 £.t. werd geraamd. Een beroep werd niet vermeld. In 1771 was Paul, ofwel Gaspar, actief als kanthandelaar.

 

Toespraak van dr. Gustaaf Asaert, erevoorzitter van het Genootschap, gehouden tijdens de presentatie van het boek van Karel Degryse op dinsdag 4 april 2006

Lieve Ludgarde, lieve Ludwina, hooggeachte familie Degryse, geachte aanwezigen en gij allen die vrienden van Karel zijt geweest, 

Hier sta ik, ik kan niet anders. Met deze woorden van Maarten Luther wil ik uiting geven aan de tegenstrijdige gevoelens die vandaag in mij opkomen. Enerzijds, een grote tevredenheid dat het met de hulp van velen is gelukt aan Karels wens gestalte te geven door de publicatie van zijn magnum opus inclusief alle bijlagen, net zoals hij het altijd heeft gewenst. Anderzijds droefenis om de afwezigheid van de auteur.  Laat toch maar vanavond tevredenheid het halen op treurnis. 

Men heeft mij gevraagd in het kort enige herineringen aan Karel Degryse op te halen. Ik doe dat graag omdat ik voor hem altijd een grote waardering heb gehad. Ik herinner mij nog levendig dat ik hem, een jonge man nog, voor het eerst heb ontmoet op een plaats waar ik vele mensen heb leren kennen die achteraf goede bekenden en vrienden zijn geworden. Die plaats is de leeszaal van het Stadsarchief aan de Venusstraat die over korte tijd definitief wordt gesloten maar gelukkig elders zal heropenen.  

Het moet beging jaren zeventig zijn geweest en Karel werkte nog aan zijn licentieverhandeling over de Oostendse Chinahandel in de achttiende eeuw. Voor een leek lijkt het wel een vreemde zaak dat voor zulk onderwerp je in Antwerpen bronnen moet komen raadplegen. Maar het is nu eenmaal zo dat het archief van de Generale Indische Compagnie, beter bekend als Oostendse Compagnie, te Antwerpen wordt bewaard omdat de belangrijkste machthebbers en kapitalen Antwerps waren gekleurd. Het plaatselijk stadsarchief bewaart bovendien nog het fonds Insolvente Boedelskamer met zijn talrijke bestanden van insolvent verklaarde firma’s aangevuld met met archief van aanzienlijke, nu adellijke Antwerpse families zoals van Colen, de Wael, de Borrekens, de Pret en zo vele anderen.  De Insolvente Boedelskamer is een bijzonder interessante verzameling handelsdocumenten waarschijnlijk uniek in Europa zodat het historisch-economisch archief duizenden nummers van registers en bundels omvat. De oudste klimmen op tot de zestiende eeuw maar de meeste betreffen de 17de en 18de eeuw. De economisch-historicus Karel Degryse kon hier een uiterst interessant bronnenmateriaal exploreren en tal van goudklompjes ophalen.  

Toen Karel als licentiaat geschiedenis was afgestudeerd bleek het in de jaren zeventig niet zo makkelijk voor een academicus om een gepaste werkkring te vinden waarvan de activiteiten in het verlengde lagen van de opgedane vorming. Gelukkig kwam het systeem van de B.T.K’s toen van de grond, ontsproten aan het brein van een Waals minister, soms doet zo’n excellentie wel eens iets creatiefs, une fois n’est pas coutume. Bij ons, dat is het Rijksarchief te Beveren, had ik het geluk dergelijke teams te mogen organiseren en in mijn zoektocht naar jonge kwalitatief hoogstaande werkloze afgestudeerden was ik zeer gelukkig iemand als Karel te kunnen aanwerven waarvan ik al wist wat hij als wetenschapper, maar ook als mens, waard was. Ik heb mijn beslissing geen moment betreurd. Onze collectie parochieregisters diende geklapperd en Karel ontpopte zich tot één van mijn meest waardevolle en gedreven medewerkers. 

Zulk een Bijzonder Tijdelijk Kader, de naam zegt het, was niet alleen bijzonder maar ook tijdelijk en beperkt tot een periode van maximum twee jaar. Maar een gedreven mens als Karel Degryse bleef niet bij de pakken zitten en had voor het verstrijken van zijn mandaat al met gunstig gevolg examen afgelegd bij de Rijksarchiefdienst. Hij kon nu op een statutaire betrekking rekenen bij het Gentse Rijksarchief zodat ik hem tot mijn leedwezen kwijt was. Maar ik ontmoette hem nog geregeld in onze stad in gezegde leeszaal. Toen ik hem vroeg een lezing te geven voor het Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis met zijn thesis als onderwerp was hij onmiddellijk bereid. Dat was op 6 mei 1975, ik heb het opgezocht, en zijn lezing was bijzonder boeiend. Karel die ook een vlot spreker was werd unaniem als lid van het Genootschap aanvaard en zou het tot het einde van zijn dagen blijven en wel als een zorgvuldig en toegewijd secretaris.

Ik herinner mij nog levendig hoe wij destijds vergaderden ten huize van prof Walter Couvreur in diens prachtige patricierswoning aan de Happaertstraat. Na de maandelijkse lezing werden allerhande onderwerpen met historische raakpunten aangesneden waarbij voorzitter Couvreur er zorgvuldig over waakte op een terrein te blijven waarmede hij goed vertrouwd was. Het ging dan meestal over de Antwerpse 19de eeuw met het accent op de elitaire families. Andere specialisten van die periode waren oudere leden naast Couvreur, mensen zoals Ger Schmook, een reus van eruditie, Henry de Groote, Frans Baudouin, Frans Smekens, Jos. Andriessen, Leon Voet om de voornaamsten te noemen. Wij jongeren en halfouderen luisterden dan eerbiedig toe en laafden ons aan die orale bronnen waarbij je dingen vernam die nergens gedrukt stonden. Op zekere dag ging het over een bepaalde familie met een groot grondbezit die geligneerd was aan een andere Antwerpse patriciersclan met nog meer bezit. Waar kwam dat familiekapitaal vandaan? De specialisten raakten het niet eens. Jullie voelen het aankomen, goede vrienden, in de achtergrond stak ene Karel Degryse aarzelend zijn hand op en vroeg of hij iets mocht zeggen. Dat mocht waarop onze West-Vlaming haarfijn, helder en met verve uit de doeken deed hoe beide families in de achttiende eeuw betrokken waren bij allerhande handelsoperaties (Chinahandel, Oostendse Compagnie, weet ik veel) die ze geen windeieren hadden gelegd. Zo doende ontpopte de jonge historicus zich tot een waardevol gesprekspartner. Bij een volgende zitting vroeg voorzitter Couvreur tijdens een soortgelijke discussie of de heer Degryse er nog iets wilde aan toevoegen wat Karel met de grootste welwillendheid deed. Welwillendheid hiermede gebruik ik het passende woord wat helemaal niet betekent dat Karel over zich heen zou laten lopen, desgevallend kon hij krachtig uit de hoek komen.   

Persoonlijk heb ik nooit tevergeefs beroep gedaan op de medewerking van Karel. Als jullie het mij toelaten nog een tweede herinnering ten berde te brengen met excuus dat ik mijn persoontje er altijd moet bij betrekken. Toen ik voor de zoveelste keer voorzitter moest zijn van een kiesbureau had ik een secretaris nodig. Gewoonlijk neem je dan je broer maar die woonde buiten het kiesarrondissement Antwerpen en kwam dus niet in aanmerking. Ik dacht in arren moede aan Karel met een grote aarzeling want het is niet aangewezen om iemand te vragen zijn vrije zondag op te offeren. Omdat ik geen andere oplossing vond belde ik hem toch maar op, mailen bestond nog niet, en jawel hoor Karel was onmiddellijk bereid. Eens te meer had ik aan hem een voortreffelijke medewerker. Omdat ons kiesbureau in een volkswijk zetelde was Karels enige handicap een snel begrip van  het platte Antwerps. Het was de tijd van het Tindemans-effect maar dat heeft er natuurlijk niets mee te maken. Ik zou zo nog menig verhaal kunnen vertellen maar mijn tijd is helaas beperkt.  

Om te besluiten vind ik als gewezen voorzitter van het Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis dat het mijn aangename plicht is allen te danken die zo spontaan in de bres zijn gesprongen om deze publicatie mogelijk te maken, het departement geschiedenis, de redactie van de Bijdragen, mijn medewerkers van het Genootschap, het Stadsarchief voor het scannen van de tekst, de sponsoren en de intekenaren op het boek.

"Tolle, lege", "neem en lees", met die woorden van Augustinus wil ik gaarne besluiten. Ik dank U allen zeer.