‘Transformatie van de citadel en esplanade van
Antwerpen (1567-1585). Een analyse van enkele ontwerptekeningen.’
Jochen De Vylder
Inleiding
Hergebruik van gronden gelegen
in de binnenstad is nog steeds brandend actueel, denken we maar aan de
heraanleg van de Leien en het structuurplan voor Antwerpen van Bernardo Secchi.
In het onderzoek naar de wijze waarop hergebruik gebeurt is het van belang de
motieven en tradities te identificeren.
In dit artikel wordt
getracht de
opeenvolgende transformaties van de citadel en esplanade te illustreren, aan de
hand van de analyse van originele ontwerptekeningen en plattegronden gekaderd
in hun historische context. De bedoeling is een beter inzicht te krijgen in de
achtergrond en dynamiek van plannings- en uitvoeringsprocessen in
stads(her)aanleg in onze contreien.
De werkhypothese is dat tijdens de Calvinistische
periode (1578-1585) te Antwerpen op een gestructureerde wijze aan civiele
stadsplanning werd gedaan[1].
Een ontwerpplan gemaakt in 1584 speelt een cruciale rol in dit onderzoek. Dit
plan beoogd de urbanisatie van de deels ontmantelde citadel en de esplanade.
Het representeert daarmee de eerste grootschalige planning sinds de noordelijk
gelegen ‘Nieuwstad’ en de laatste voor de negentiende eeuw. Er wordt gezocht
naar de formele en de inhoudelijke aspecten van dit plan. In een poging dit
plan te plaatsen in een traditie behandelen we voorafgaande ontwerpplannen.
Belangrijk in het onderzoek is het duiden van de wisselwerking tussen theorie
en praktijk, ontwerp en realiteit.
Voorgaande studies hebben dit plan nooit echt in verband gebracht met
plannen voor de aanleg van de citadel en andere ontwerpplannen voor de
stads(her)aanleg opgemaakt in de calvinistische periode.
I DE CITADEL TE ANTWERPEN
1. De bouw van een dwangburcht
Reeds zo vroeg als 1564 werden er concrete voorbereidingen getroffen om Antwerpen, Amsterdam, Groningen, s’Hertogenbosch, Maastricht, Utrecht, Valenciennes en Vlissingen met een kasteel uit te rusten. De eerste werkzaamheden voor de bouw van de Antwerpse dwangburcht namen een aanvang aan op 27 oktober 1567. De hertog van Alva, die naar de Nederlanden kwam om de privileges van de lokale adel in te dammen, koos als ligging voor de citadel een plaats op het Kiel, naast de Schelde even buiten de stadswallen. Het ontwerp kwam van de Italiaanse ingenieur Francesco Paciotto. Als direct voorbeeld gebruikte Paciotto een ontwerp dat hij in 1564 voor de citadel van Turijn had getekend.[2]
De Antwerpse citadel kreeg een regelmatige vijfhoekige vorm met een bastion aan elk hoekpunt (350 meter van hoekpunt tot hoekpunt). Het centrale plein in de citadel had dezelfde vijfhoekige vorm en aan vier randen van het plein werden dubbele huizenrijen gebouwd, die deels fungeerden als kazernes. Aan de vijfde zijde construeerde men een kerk en een groot huis voor de Spaanse gouverneur. Vanaf het plein strekten zich vijf rechte straten uit naar de verschillende bastions. Er waren twee toegangen tot de citadel, een toegangspoort vanaf het Kiel en een tweede vanuit de richting van de stad. De citadel was een sterk staaltje van rationele militaire architectuur, die model heeft gestaan voor menig citadellen in andere steden.[3]

Afb.1:
Kaart van Joris Hoefnagel (1582), vogelperspectief van de stad Antwerpen circa
1577.
De verbinding tussen stad en citadel werd bekomen door een ‘joincte’ of aansluiting, deze ingreep betekende een aanzienlijke uitbreiding van het stedelijk oppervlakte. De ‘esplanade’ of ‘Castel pleyne’ die zich voor de dwangburcht uitstrekte en die een oppervlakte besloeg van ongeveer 50 ha, mocht echter niet worden bebouwd. Deze zone‘non aedificandi’ had een dubbele militaire functie, een eerste was als geschutsveld en een tweede was als verdelingszone van de in het kasteel gelegerde troepen richting stad. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de belangrijkste toegangs- en uitgangspoort van de citadel gericht was naar het centrum van de stad, dat snel bereikbaar was over de weg die passeerde langs het Sint-Michielsklooster. De resterende gronden (ca. 10 ha) die wel bebouwd mochten worden, bleven bij gebrek aan kopers grotendeels braak liggen.[4]
Een hele reeks van dreigende oorlogstroebelen veranderde het klimaat in de Nederlanden en resulteerde in de politieke scheiding tussen de Staten-Generaal te Brussel en de Spaanse vorst. Op 1 en 2 augustus 1577 werden de troepen van de Spaanse regering uit het kasteel gejaagd en enkele dagen later werd gestart met de ontmanteling van de Antwerpse dwangburcht. De gedeeltelijke afbraak van het kasteel te Antwerpen gebeurde in een overgangsfase, op een moment dat het calvinistische Gezag in de stad nog niet geconsolideerd was. De Staten waren niet opgezet met een volledige ontmanteling, maar liet een ontmanteling toe stadwaarts. Karel Hannaert, heer van Liedekerke, werd opdracht gegeven de ontmanteling te sturen. Vlug bleek dat de afscherming van de strook tussen de westflank van de – naar de stad toe - deels ontmantelde citadel en de Schelde de achilleshiel vormde in de bescherming van de stad. In het stadsarchief te Antwerpen vinden we een van monogram en datum voorzien ontwerptekening terug die deze verbinding als onderwerp heeft. Op dit plan van Hans Vredeman de Vries uit 1577 worden vijf varianten voor de verbinding weergegeven. De kaart van Philips Galle en de gravure van Abraham de Bruyn (blijde intrede van Frans, hertog van Anjou en Alencon in 1582) toont dat er voor geen enkel van de vijf varianten ontworpen door Hans Vredeman de Vries is gekozen, maar dat er is geopteerd voor een eenvoudiger, rationeel en minder dure oplossing, waarbij het vierde bastion bijna volledig wordt behouden en de verbinding met de Schelde wordt bekomen door een ‘joincte’ zoals in potlood is weergegeven op het plan van Vredeman de Vries. Verder liet men de oorspronkelijke interne structuur van de citadel ongemoeid, dit wil zeggen, het vijfhoekige plein, de straten en de kazernes en huizen.

Afb.2: Kaart van Galle (1581), vogelperspectief van
de stad Antwerpen circa 1581.
Op 18 september 1577 leidde men triomfantelijk de prins van Oranje te Antwerpen binnen, waarna de magistraat vervangen en het Calvinistisch Gezag geconsolideerd werd. Antwerpen kreeg nu de rol toebedeeld als hoofdstad van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, verenigd in een calvinistische staat. De nieuwe magistraat zag al snel de kans enkele nieuwe commissies op te richten die tot doel hadden roerende en onroerende goederen in en rond Antwerpen te ‘beneficieren’ (de commissie tot het ‘beneficieren’ van de kloosterlijke goeden/’beneficieren’ van de erven van de ‘afgeworpe casteyle’ en de commissie voor de fortificatie van de stad)[5].
II ANALYSE VAN ENKELE ONTWERPTEKENINGEN
1. Het ontwerpplan ‘1584’,
een formele en inhoudelijke studie
In het Stadsarchief Antwerpen vinden we onder iconografie 26/12c een
ontwerpplan terug dat dateert van maart 1584. Op het plan is de citadel
weergegeven en een verkavelingpatroon van de esplanade.
In de ontmantelde citadel zien we dat de originele interne structuur
blijft behouden, het vijfhoekige plein met aan de vier van de vijf kanten twee
dubbele huizenrijen. Voorts wordt melding gemaakt van het paleis van Willem van
Oranje, dat ondergebracht wordt in het huis dat voorheen bestemd was voor de
Spaanse gouverneur. De citadelkerk en de huizenrijen die gelokaliseerd zijn
langs de straten die het vijfhoekige plein verbindt met de bastions blijken
eveneens ongewijzigd.


Voor het tussengebied, de ‘esplanade’, wordt een verkavelingvoorstel geponeerd. De ruimtelijke opbouw van dit plan poogt de patroonkenmerken van enerzijds het aangrenzende zuidelijk gedeelte van de stad (de gedeeltelijk afgebroken citadel, met paleis van Willem van Oranje) en anderzijds de stad met elkaar te verweven en is dus intermediair van karakter. We onderscheiden een netwerk dat bestaat uit een primair en secundair straatweefsel. De primaire straten zijn tussen de 60-80 voet breed, de breedte van de secundaire straten is circa 35-45 voet. In totaal wordt een drietal kilometer nieuw straatweefsel voorgesteld.
De twee primaire straten zijn als het ware een verlenging van het intern stratenverloop van de citadel en sluiten aan op de bestaande straten van de stad: straat lopende naar St. Michiels; straat lopende naar St. Joris en St. Jorispoort. De secundaire straten zijn evenwijdig getrokken aan de Lepelstraat en staan loodrecht op de Schelde. De aldus bekomen bouwblokken zijn weinig uniform te noemen.
Wat dit plan interessant maakt is de vermelding van een paleis voor de ‘monarch’[6], de planning van een nieuw aan te leggen rechthoekig marktplein en de wijze waarop de verbinding tussen de ontmantelde citadel en het aangrenzende zuidelijk gedeelte van de stad wordt bewerkstelligd.

Afb.4: Vectorplan van Ico. 26/12c geprojecteerd op
de ‘Basisplattegrond’ van Antwerpen.
Het is ons niet bekend wie de ontwerper was van dit plan, wel wordt er een zekere S. van Uffelen vermeld op het plan. Uit de tekst die dit plan begeleidt blijkt dat het plan opgemaakt is om in de eerste plaats kopers te vinden voor de nog onverkochte huizen op de kasteelplaats, daarnaast zouden ook de gronden op het kasteelplein volgens het patroon verkaveld worden. Dat bouwspeculatie het primaire motief was voor de constructie van dit plan is moeilijk verwonderbaar. Grondspeculatie heeft een fundamentele rol gespeeld in de transformatie van de middeleeuwse stad naar moderne stad. De lucratieve bouwspeculatieve activiteiten van Gilbert van Schoonbeke[7] veertig jaar eerder was de nieuwe magistraat en leden van de commissie tot ‘beneficieren’ van de kloostergronden en ‘afgeworpene casteyle’ wellicht niet ontgaan. In tegenstelling tot de periode van Van Schoonbeke was het de magistraat zelf die de civiele invulling plande.[8] Met zekerheid kan gezegd worden dat dit ontwerpplan een gedeeltelijke uitvoering kende. In de ‘Collegiale Actenboeken’ wordt in de periode maart april 1584 opdracht gegeven aan de gecommitteerden tot het ‘beneficieren’ van het ‘casteelpleyne en plaetse’ om de ‘nieuwe’ straten vanuit de ontmantelde citadel naar Sint Joris en naar het Sint Michiels te bestraten en riolen door te trekken. De vraag is nu hoe dit ontwerp dient geïnterpreteerd te worden en hoe het kadert binnen een traditie en een ‘weten’.[9]
2. Andere ontwerpplannen
voor de citadel en ‘esplanade’
In het stadsarchief te Antwerpen zijn een vijftal
ontwerptekeningen terug te vinden die de civiele invulling van de citadel en/of
‘esplanade’ tot onderwerp hebben. Geen enkel van de ontwerpen kreeg ook maar
een gedeeltelijke uitvoering, toch zijn deze ontwerpen belangrijk om het plan
uit 1584 te kaderen in een traditie.
Het plan Ic.26/05 depicteert een voorstel tot de
verkaveling van de ‘esplanade’, project voor de Suyt Nieuwe Stad, en is
vervaardigd omstreeks 1580. Het kasteelplein is ingekleurd en gedetailleerd
verdeeld in bouwblokken, de citadel en de stad zijn slechts summier
weergegeven. Dit ontwerpplan wordt bepaald door een dambordpatroon verkaveling
en hield een nieuwe stratenaanleg in van om en bij de 2,5 kilometer. Een straat
verbindt de ontmantelde citadel ter hoogte van de voormalige toegangspoort met
de straat lopende langs het Sint Michielsklooster. In dit ontwerpplan is geen
hiërarchie gegeven aan het stratennetwerk.


Afb.5: SAA, Ico. 26/05 en vectorplan van Ico. 26/05.
De gekozen verkavelingmethode doet denken aan de strikt geometrische stadsuitbreiding van de door Gilbert Van Schoonbeke’s ontworpen ‘Nieuwstad’. Een aanlegplan dat – commercieel gezien althans – het meest winstgevend was. De herkomst van dit laatste plan dient gesitueerd te worden binnen de gangbare praktijk van het zogenaamde Oudhollands verkavelingsysteem, dat bestond in het droogleggen van polders of moerassige gronden volgens evenwijdige grondstroken door het aanbrengen van parallelle grachten. Aangezien dergelijke verkaveling rechte percelen opleverde past deze vorm van urbanisatie volledig binnen de rationele, mathematische en functionele werkwijze van Van Schoonbeke. De dambordpatroon verkaveling is een eeuwenoude bondgenoot van de stedelijke ruimte en kende een heropleving in vroeg zestiende eeuwse stadsuitbreiding van Italiaanse steden. We zien dat na 1580 deze vorm van stadsuitleg in steden in de Noordelijke Nederlanden op grote schaal werd toegepast, met of zonder kanalen ten behoeve van de drooglegging van gebied.[10]
Alhoewel het uitgangspunt van het ontwerpplan uit 1580 eerder een formele oefening lijkt, maakt dat dit ontwerp niet minder belangrijk. Ze toont dat gelijksoortig opgevatte ontwerpen terugkeren.
In de periode 1577-78 werden
enkele ontwerptekeningen voor de inrichting van de ontmantelde citadel
vervaardigd. Op al deze plannen wordt vertrokken van de reeds bestaande
bebouwing en stratenstructuur in de ontmantelde citadel waarna men het
aanwezige vijfhoekige plein ten dele probeert te bebouwen en te herdefiniëren
in een half cirkelvormig plein en een vierkant plein. Zoeken naar de ideale
verkaveling voor regelmatig gebastioneerde steden was brandend actueel zoals
het voorbeeld van Philippeville aantoont.
Deze grootschalige plattegronden bevatten verder
geen enkele verwijzing naar de stad of de fortificaties. Reeds zo vroeg als begin 1578 waren er plannen om
het voormalige gouverneursgebouw in de ontmantelde citadel om te bouwen tot
paleis voor de prins van Oranje. Kunnen we de verkaveling van de citadel zien
als een poging om alhier een nieuwe kern te creëren en dat het stadsbestuur de
verkoopbaarheid van de gronden op de kasteelplaats gunstig inschatte?

Afb.6: SAA, Ico.26/08c, 26/09c en 26/10c.
Met de bouw van de verbinding tussen stad en citadel hield men nog een resterende grondoppervlakte van 10 hectare over die niet tot de ‘esplanade’ diende te horen. Dat er plannen waren voor de civiele bebouwing van deze gronden is af te leiden uit een inventaris van projecten getekend door Peter Frans waarin vermeld staat: ‘[…]Drij busselen bijeen gebonden aengaende het castel, straten ende…op de pleyne met nieustadt int Suijt quartijer met het castel’[11] net zoals het bestaan van een ontwerpplan uit circa 1572 waarop de contouren van de vrij te houden esplanade weergegeven zijn.[12]


Afb.7: SAA, Ico.26/11c en vectorplan 26/11c.
Deze plattegrond toont slechts
zeer summier de contouren van de citadel. Het primaire motief van het plan
lijkt de contouraanduiding van de esplanade en slechts in de tweede plaats het
voorstel tot de civiele invulling van de resterende gronden. De verschillende
kleurvakken geven aan waar wat gebouwd mag worden. Het nieuw stratennetwerk
wordt gedicteerd vanuit militair opzet. Centraal van de citadel verdelen de
straten zich richting bestaande stratennetwerk van de stad, om op deze wijze
troepenverplaatsing naar de stad toe te vergemakkelijken. Vervolgens zijn er
enkele straten loodrecht getrokken op dit stratennetwerk in een poging tot een
bepaald dambordpatroon verkaveling te komen. Het onbebouwd blijven van deze
gronden kan grotendeels verklaard worden door de ongunstige economische periode
in het begin van de jaren zeventig, ook mogen we de impact van de nabijheid van
de dwangburcht op het koopgedrag niet minimaliseren.
Wanneer we dit ontwerpplan
plaatsen naast het ontwerpplan uit 1584, valt de overeenkomst in de verdeling
van het stratennetwerk toch wel enigszins op. De veronderstelling dat bij het
ontwerpplan uit 1584 het primaire stratennetwerk ook de militaire logica volgt
is wellicht niet te ver gegrepen. We onderscheiden enerzijds de straat die
voorheen van de citadelpoort richting stad voert, anderzijds een interne straat
die van de kasteelplaats richting een der bastions voer die doorgetrokken wordt
richting Sint Jorispoort.
3. Praktijk en theorie
tijdens de calvinistische periode
De naam S. van Uffelen op het
ontwerpplan uit 1584 vinden we tevens terug op enkele andere ontwerpplannen
opgemaakt in de periode 1580-1583. Dat is op het ontwerpplan dat de aanleg van
een straat op de gronden van het Predikherenklooster voorstelt, en tevens op de
briefwisseling die voorafging aan de constructie van de Beggaardenstraat. De
motieven die opgegeven werden bij de inplanting van de Beggaardenstraat zijn
het vermelden waard. De straat moest er komen opdat alzo een snellere en
vlottere verbinding bekomen werd tussen de Melkmarkt en de beurs, dit ten
gunste van markthouders en handelaars. De constructie van de straat zou
‘sieraet’ en ‘commoditeit’ geven aan de stad, terminologie die rechtstreeks
gehaald werd uit de geschriften van Vitruvius. Of Severin van Uffelen, die dan
eens als ‘erfscheider’, dan weer als ‘tresorier’ en ‘stadshouder’ staat
vermeld, ook daadwerkelijk ontwerper was van deze tekeningen lijkt
onwaarschijnlijk. In de calvinistische periode was een klein leger van
ingenieurs werkzaam te Antwerpen. Naast Hans Vredeman de Vries vinden we Hans
van Schille, Abraham Andriessen en Dirk van Mol weer. Wellicht was Severin van
Uffelen gelast met de opvolging van de projecten, in hoe verre hij invloed
uitgeoefend heeft op de vorming van de ontwerpen dient onderzocht te worden.
In Antwerpen circuleerden voor
1577 reeds verschillende publicaties over architectuur en stedenbouw en
wiskunde.[13]
Werken over de verkaveling van polygonale steden waren zeker weer te vinden.
Zowel Hans van Schille, als Daniël Specklin en Samuel Marolois, die korte tijd
verbleven in Antwerpen, wijdden later in hun boeken over vestingbouw een
hoofdstuk aan de inpassing van een citadel in een stad en de optimale civiele
opvulling van het tussengebied op een militair gedicteerd grid.
III BESLUITEN
Het ontwerpplan uit 1584, dat een gedeeltelijke uitvoering kende, blijkt een eerste grootschalige planning te Antwerpen voor te bereiden sinds de noordelijk gelegen ‘Nieuwstad’ en de laatste voor de negentiende eeuw. In het licht van de economische hausse van 1583, verraadt het plan een interesse van de magistraat in stedelijke planning en grondspeculatie. Deze interesse is niet vreemd als we de activiteiten van Gilbert van Schoonbeke in het achterhoofd houden.[14] De gekozen verkavelingmethode die met betrekking tot de perceelvormen niet de meest voordelige is, lijkt gedicteerd door de militaire verdeelfunctie dat zodoende het verkavelingplan vorm geeft. Het ontwerpplan uit circa 1572 en latere publicaties van vestingbouwkundige, aanwezig te Antwerpen in de periode 1578-1585, bevestigen dit ten dele.
Het gebruik van militaire structuren
in civiele ontwerpen (circulatie, veiligheid en overzicht); het onderstrepen
van de aanwezigheid van belangrijke gebouwen zoals het paleis de kerk, het
arsenaal en de aanleg van markten of pleinen; hiërarchie in het stratennetwerk
al deze elementen passen in het aantrekkelijk maken van de aanwezige te
verkopen woningen en gronden en zijn kenmerkend voor de transitie naar de
barokke stad.
Afb.8: Vectorplan van 26/12c, een analyse.
Dat het plan slechts een gedeeltelijke uitvoering kende is wellicht te wijten aan de herovering van Antwerpen door Farnese in augustus 1585. Citadel en esplanade werden bij de overgave van Antwerpen terug hersteld in hun originele vorm.
[1] De overgang van de
middeleeuwen naar de moderne tijden wordt in Europa gekenmerkt door een sterke
verstedelijking. Op het einde van de zestiende eeuw telden reeds 12 steden meer
dan 100.000 inwoners tegenover 5 rond 1500. Naast deze sterke verstedelijking
in de Renaissance karakteriseerde deze periode tevens de promotie van de stad.
Door wijziging van economische, politieke en militaire omstandigheden werd voor
het eerst sinds de Romeinse Oudheid opnieuw grootschaliger aandacht besteed aan
ruimtelijke ordening. Toch vallen in grootsteden zoals Parijs, Londen, Madrid,
Lissabon, enz. voor het midden van de zeventiende eeuw geen noemenswaardige
stedenbouwkundige verwezenlijkingen te noteren. Vanuit stedenbouwkundig
standpunt bekeken hebben deze steden rond 1600 het aanbeeld van monsterachtig
gegroeide middeleeuwse steden. Enkel in Italië zien we in de loop van de
zestiende eeuw de systematische wijziging van de infrastructuur van talrijke
steden.
[2] C. van den Heuvel,
Italiaanse ontwerpen voor citadellen in de Nederlanden (1567-1571), p. 170.
[3] C. van den Heuvel, ‘Papiere bolwercken’. De introductie van de
Italiaanse stede- en vestingbouw in de Nederlanden (1540-1609) en het gebruik
van tekeningen, 1991.
[4] H. Soly, ‘De megapolis
Antwerpen’., p.103.
[5] cfr. Collegiale Actenboeken.
[6] Jan de Vries zoals Hans
Vredeman de Vries gewoonlijk wordt genoemd, blijkt het patroon voor het paleis
van Zijne Excellentie (Willem van Oranje) aan het kasteel ontworpen te hebben,
want op 29 april 1581 gelast de stadsmagistraat de tresoriers en rentmeester
hem daarvoor 12 gld. uit te betalen. Zie: Antwerpsch Archievenblad, XVIII, blz.
303-305.
[7] “…In de periode 1543-1553
creëerde Gilbert van Schoonbeke niet minder dan 24 straten en drie markten. In
een decennium nam deze ondernemer 30% van alle straten en markten die te
Antwerpen in de zestiende eeuw werden geopend voor zijn rekening.” in H. Soly, Urbanisme en kapitalisme te Antwerpen in de
zestiende eeuw, de stedebouwkundige en industriële ondernemingen van Gilbert
van Schoonbeke, Brussel, 1977, p.379.
[8] “…De verkaveling van
uitgestrekte terreinen, de opening van nieuwe straten en markten: alles werd
overgelaten aan privé-ondernemers, die in de eerste plaats hun eigen materiele
belangen behartigden. De magistraat beperkte zich tot het uitvaardigen van een
aantal geboden betreffende de bouw van nieuwe huizen, het straatlawaai…” in H.
Soly, Urbanisme en kapitalisme te
Antwerpen in de zestiende eeuw, de stedebouwkundige en industriële
ondernemingen van Gilbert van Schoonbeke, Brussel, 1977, p.383.
[9] Weten biedt de mogelijkheid om dwarsverbanden te leggen door de hele cultuur van een gegeven periode heen, omdat weten niet hetzelfde is als wetenschap. Weten staat in de reeks van discursieve praktijk-weten-wetenschapschap. Het sprekende en tekenende subject is er in ingebed en het is er afhankelijk van, maar het kan nooit optreden als de eigenaar ervan. Zie: W. Nijenhuis, Een wolk van duister weten. Geschriften over StedenbouwGeschiedenis, Eindhoven, 2003.
[10] E. Taverne, In’t land van belofte: in de nieue stadt.
Ideaal en werkelijkheid van de stadsuitleg in de Republiek 1580-1680,
Maarssen, 1978; P. Lombaerde, 1999.
[11] SAA, ‘Inventaris van alle
pateroenen mv Adriaen Bos. Erfscheijder
duer geleent heeft den 19 April 1569 de welcke mv Peeter Frans saligger met sijnder hant getrocken
ende voor sijne copijen gehouden heeft’
[12] SAA, Ic. 26/11c.
[13] In 1539 publiceerde Pieter
Coecke van Aelst een boek over de klassieke ordes, Die inventie der colommen(Antwerpen,
1539). Coecke gebruikte voor zijn werk de commentaren van Cesariano op
Vitrivius. Antwerpen publiceerde en exporteerde meer boeken en gravures naar
Engeland dan eender welk ander Europees land. Publicaties van Hieronymus Cock
en Coecke (groote metselrijboek) introduceerde de idee en status van de
‘architect’ in de Nederlanden. Wat later werd de invloed van Vitruvius vermeld
in Hans Vredeman de Vries zijn Architectura(Antwerpen, 1577, herdrukken
1581, 1597 en 1601). Boeken over geometrie, één van de zeven ‘artes liberales’,
en wiskunde, werden reeds rond 1550 gedrukt en onder andere gebruikt voor
architecturale toepassingen., in LOMBAERDE, P., Antwerp in is golden age:’one
of the largest cities in the Low Countries’and ‘one of the best fortified in
Europe.’, pp. 115-116.
[14] Bij de briefwisseling die
voorafging aan de voor de constructie van de Beggaardenstraat wordt Van
Schoonbeke letterlijk vermeld.