‘Transformatie van de citadel en esplanade van Antwerpen (1567-1585). Een analyse van enkele ontwerptekeningen.’

 

Jochen De Vylder

 

Inleiding

 

Hergebruik van gronden gelegen in de binnenstad is nog steeds brandend actueel, denken we maar aan de heraanleg van de Leien en het structuurplan voor Antwerpen van Bernardo Secchi. In het onderzoek naar de wijze waarop hergebruik gebeurt is het van belang de motieven en tradities te identificeren.

In dit artikel wordt getracht de opeenvolgende transformaties van de citadel en esplanade te illustreren, aan de hand van de analyse van originele ontwerptekeningen en plattegronden gekaderd in hun historische context. De bedoeling is een beter inzicht te krijgen in de achtergrond en dynamiek van plannings- en uitvoeringsprocessen in stads(her)aanleg in onze contreien.

 

De werkhypothese is dat tijdens de Calvinistische periode (1578-1585) te Antwerpen op een gestructureerde wijze aan civiele stadsplanning werd gedaan[1]. Een ontwerpplan gemaakt in 1584 speelt een cruciale rol in dit onderzoek. Dit plan beoogd de urbanisatie van de deels ontmantelde citadel en de esplanade. Het representeert daarmee de eerste grootschalige planning sinds de noordelijk gelegen ‘Nieuwstad’ en de laatste voor de negentiende eeuw. Er wordt gezocht naar de formele en de inhoudelijke aspecten van dit plan. In een poging dit plan te plaatsen in een traditie behandelen we voorafgaande ontwerpplannen. Belangrijk in het onderzoek is het duiden van de wisselwerking tussen theorie en praktijk, ontwerp en realiteit.   

Voorgaande studies hebben dit plan nooit echt in verband gebracht met plannen voor de aanleg van de citadel en andere ontwerpplannen voor de stads(her)aanleg opgemaakt in de calvinistische periode. 

 

I  DE CITADEL TE ANTWERPEN

 

1. De bouw van een dwangburcht

 

Reeds zo vroeg als 1564 werden er concrete voorbereidingen getroffen om Antwerpen, Amsterdam, Groningen, s’Hertogenbosch, Maastricht, Utrecht, Valenciennes en Vlissingen met een kasteel uit te rusten. De eerste werkzaamheden voor de bouw van de Antwerpse dwangburcht namen een aanvang aan op 27 oktober 1567. De hertog van Alva, die naar de Nederlanden kwam om de privileges van de lokale adel in te dammen, koos als ligging voor de citadel een plaats op het Kiel, naast de Schelde even buiten de stadswallen. Het ontwerp kwam van de Italiaanse ingenieur Francesco Paciotto. Als direct voorbeeld gebruikte Paciotto een ontwerp dat hij in 1564 voor de citadel van Turijn had getekend.[2]

 

De Antwerpse citadel kreeg een regelmatige vijfhoekige vorm met een bastion aan elk hoekpunt (350 meter van hoekpunt tot hoekpunt). Het centrale plein in de citadel had dezelfde vijfhoekige vorm en aan vier randen van het plein werden dubbele huizenrijen gebouwd, die deels fungeerden als kazernes. Aan de vijfde zijde construeerde men een kerk en een groot huis voor de Spaanse gouverneur. Vanaf het plein strekten zich vijf rechte straten uit naar de verschillende bastions. Er waren twee toegangen tot de citadel, een toegangspoort vanaf het Kiel en een tweede vanuit de richting van de stad. De citadel was een sterk staaltje van rationele militaire architectuur, die model heeft gestaan voor menig citadellen in andere steden.[3]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Afb.1: Kaart van Joris Hoefnagel (1582), vogelperspectief van de stad Antwerpen circa 1577.

 

De verbinding tussen stad en citadel werd bekomen door een ‘joincte’ of aansluiting, deze ingreep betekende een aanzienlijke uitbreiding van het stedelijk oppervlakte. De ‘esplanade’ of ‘Castel pleyne’ die zich voor de dwangburcht uitstrekte en die een oppervlakte besloeg van ongeveer 50 ha, mocht echter niet worden bebouwd. Deze zone‘non aedificandi’ had een dubbele militaire functie, een eerste was als geschutsveld en een tweede was als verdelingszone van  de in het kasteel gelegerde troepen richting stad. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de belangrijkste toegangs- en uitgangspoort van de citadel gericht was naar het centrum van de stad, dat snel bereikbaar was over de weg die passeerde langs het Sint-Michielsklooster. De resterende gronden (ca. 10 ha) die wel bebouwd mochten worden, bleven bij gebrek aan kopers grotendeels braak liggen.[4]

 


2. De calvinistische periode en de ontmanteling van de citadel
 

Een hele reeks van dreigende oorlogstroebelen veranderde het klimaat in de Nederlanden en resulteerde in de politieke scheiding tussen de Staten-Generaal te Brussel en de Spaanse vorst. Op 1 en 2 augustus 1577 werden de troepen van de Spaanse regering uit het kasteel gejaagd en enkele dagen later werd gestart met de ontmanteling van de Antwerpse dwangburcht. De gedeeltelijke afbraak van het kasteel te Antwerpen gebeurde in een overgangsfase, op een moment dat het calvinistische Gezag in de stad nog niet geconsolideerd was. De Staten waren niet opgezet met een volledige ontmanteling, maar liet een ontmanteling toe stadwaarts. Karel Hannaert, heer van Liedekerke, werd opdracht gegeven de ontmanteling te sturen. Vlug bleek dat de afscherming van de strook tussen de westflank van de – naar de stad toe - deels ontmantelde citadel en de Schelde de achilleshiel vormde in de bescherming van de stad. In het stadsarchief te Antwerpen vinden we een van monogram en datum voorzien ontwerptekening terug die deze verbinding als onderwerp heeft. Op dit plan van Hans Vredeman de Vries uit 1577 worden vijf varianten voor de verbinding weergegeven. De kaart van Philips Galle en de gravure van Abraham de Bruyn (blijde intrede van Frans, hertog van Anjou en Alencon in 1582) toont dat er voor geen enkel van de vijf varianten ontworpen door Hans Vredeman de Vries is gekozen, maar dat er is geopteerd voor een eenvoudiger, rationeel en minder dure oplossing, waarbij het vierde bastion bijna volledig wordt behouden en de verbinding met de Schelde wordt bekomen door een ‘joincte’ zoals in potlood is weergegeven op het plan van Vredeman de Vries. Verder liet men de oorspronkelijke interne structuur van de citadel ongemoeid, dit wil zeggen, het vijfhoekige plein, de straten en de kazernes en huizen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afb.2: Kaart van Galle (1581), vogelperspectief van de stad Antwerpen circa 1581.

 

Op 18 september 1577 leidde men triomfantelijk de prins van Oranje te Antwerpen binnen, waarna de magistraat vervangen en het Calvinistisch Gezag geconsolideerd werd. Antwerpen kreeg nu de rol toebedeeld als hoofdstad van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, verenigd in een calvinistische staat. De nieuwe magistraat zag al snel de kans enkele nieuwe commissies op te richten die tot doel hadden roerende en onroerende goederen in en rond Antwerpen te ‘beneficieren’ (de commissie tot het ‘beneficieren’ van de kloosterlijke goeden/’beneficieren’ van de erven van de ‘afgeworpe casteyle’ en de commissie voor de fortificatie van de stad)[5].

 

 

II  ANALYSE VAN ENKELE ONTWERPTEKENINGEN

 

1. Het ontwerpplan ‘1584’, een formele en inhoudelijke studie

In het Stadsarchief Antwerpen vinden we onder iconografie 26/12c een ontwerpplan terug dat dateert van maart 1584. Op het plan is de citadel weergegeven en een verkavelingpatroon van de esplanade.

In de ontmantelde citadel zien we dat de originele interne structuur blijft behouden, het vijfhoekige plein met aan de vier van de vijf kanten twee dubbele huizenrijen. Voorts wordt melding gemaakt van het paleis van Willem van Oranje, dat ondergebracht wordt in het huis dat voorheen bestemd was voor de Spaanse gouverneur. De citadelkerk en de huizenrijen die gelokaliseerd zijn langs de straten die het vijfhoekige plein verbindt met de bastions blijken eveneens ongewijzigd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Afb.3: SAA, Ico. 26/12c en vectorplan van Ico. 26/12c.

 

Voor het tussengebied, de ‘esplanade’, wordt een verkavelingvoorstel geponeerd. De ruimtelijke opbouw van dit plan poogt de patroonkenmerken van enerzijds het aangrenzende zuidelijk gedeelte van de stad (de gedeeltelijk afgebroken citadel, met paleis van Willem van Oranje) en anderzijds de stad met elkaar te verweven en is dus intermediair van karakter. We onderscheiden een netwerk dat bestaat uit een primair en secundair straatweefsel. De primaire straten zijn tussen de 60-80 voet breed, de breedte van de secundaire straten is circa 35-45 voet. In totaal wordt een drietal kilometer nieuw straatweefsel voorgesteld.

De twee primaire straten zijn als het ware een verlenging van het intern stratenverloop van de citadel en sluiten aan op de bestaande straten van de stad: straat lopende naar St. Michiels; straat lopende naar St. Joris en St. Jorispoort. De secundaire straten zijn evenwijdig getrokken aan de Lepelstraat en staan loodrecht op de Schelde. De aldus bekomen bouwblokken zijn weinig uniform te noemen.

Wat dit plan interessant maakt is de vermelding van een paleis voor de ‘monarch[6], de planning van een nieuw aan te leggen rechthoekig marktplein en de wijze waarop de verbinding tussen de ontmantelde citadel en het aangrenzende zuidelijk gedeelte van de stad wordt bewerkstelligd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afb.4: Vectorplan van Ico. 26/12c geprojecteerd op de ‘Basisplattegrond’ van Antwerpen.

 

Het is ons niet bekend wie de ontwerper was van dit plan, wel wordt er een zekere S. van Uffelen vermeld op het plan. Uit de tekst die dit plan begeleidt blijkt dat het plan opgemaakt is om in de eerste plaats kopers te vinden voor de nog onverkochte huizen op de kasteelplaats, daarnaast zouden ook de gronden op het kasteelplein volgens het patroon verkaveld worden. Dat bouwspeculatie het primaire motief was voor de constructie van dit plan is moeilijk verwonderbaar. Grondspeculatie heeft een fundamentele rol gespeeld in de transformatie van de middeleeuwse stad naar moderne stad. De lucratieve bouwspeculatieve activiteiten van Gilbert van Schoonbeke[7] veertig jaar eerder was de nieuwe magistraat en leden van de commissie tot ‘beneficieren’ van de kloostergronden en ‘afgeworpene casteyle’ wellicht niet ontgaan. In tegenstelling tot de periode van Van Schoonbeke was het de magistraat zelf die de civiele invulling plande.[8] Met zekerheid kan gezegd worden dat dit ontwerpplan een gedeeltelijke uitvoering kende. In de ‘Collegiale Actenboeken’ wordt in de periode maart april 1584 opdracht gegeven aan de gecommitteerden  tot het ‘beneficieren’ van het ‘casteelpleyne en plaetse’ om de ‘nieuwe’ straten vanuit de ontmantelde citadel naar Sint Joris en naar het Sint Michiels te bestraten en riolen door te trekken. De vraag is nu hoe dit ontwerp dient geïnterpreteerd te worden en hoe het kadert binnen een traditie en een ‘weten’.[9]

 
2. Andere ontwerpplannen voor de citadel en ‘esplanade’

In het stadsarchief te Antwerpen zijn een vijftal ontwerptekeningen terug te vinden die de civiele invulling van de citadel en/of ‘esplanade’ tot onderwerp hebben. Geen enkel van de ontwerpen kreeg ook maar een gedeeltelijke uitvoering, toch zijn deze ontwerpen belangrijk om het plan uit 1584 te kaderen in een traditie.

Het plan Ic.26/05 depicteert een voorstel tot de verkaveling van de ‘esplanade’, project voor de Suyt Nieuwe Stad, en is vervaardigd omstreeks 1580. Het kasteelplein is ingekleurd en gedetailleerd verdeeld in bouwblokken, de citadel en de stad zijn slechts summier weergegeven. Dit ontwerpplan wordt bepaald door een dambordpatroon verkaveling en hield een nieuwe stratenaanleg in van om en bij de 2,5 kilometer. Een straat verbindt de ontmantelde citadel ter hoogte van de voormalige toegangspoort met de straat lopende langs het Sint Michielsklooster. In dit ontwerpplan is geen hiërarchie gegeven aan het stratennetwerk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afb.5: SAA, Ico. 26/05 en vectorplan van Ico. 26/05.

 

 

De gekozen verkavelingmethode doet denken aan de strikt geometrische stadsuitbreiding van de door Gilbert Van Schoonbeke’s ontworpen ‘Nieuwstad’. Een aanlegplan dat – commercieel gezien althans – het meest winstgevend was. De herkomst van dit laatste plan dient gesitueerd te worden binnen de gangbare praktijk van het zogenaamde Oudhollands verkavelingsysteem, dat bestond in het droogleggen van polders of moerassige gronden volgens evenwijdige grondstroken door het aanbrengen van parallelle grachten. Aangezien dergelijke verkaveling rechte percelen opleverde past deze vorm van urbanisatie volledig binnen de rationele, mathematische en functionele werkwijze van Van Schoonbeke. De dambordpatroon verkaveling is een eeuwenoude bondgenoot van de stedelijke ruimte en kende een heropleving in vroeg zestiende eeuwse stadsuitbreiding van Italiaanse steden. We zien dat na 1580 deze vorm van stadsuitleg in steden in de Noordelijke Nederlanden op grote schaal werd toegepast, met of zonder kanalen ten behoeve van de drooglegging van gebied.[10]

Alhoewel het uitgangspunt van het ontwerpplan uit 1580 eerder een formele oefening lijkt, maakt dat dit ontwerp niet minder belangrijk. Ze toont dat gelijksoortig opgevatte ontwerpen terugkeren.

 

In de periode 1577-78 werden enkele ontwerptekeningen voor de inrichting van de ontmantelde citadel vervaardigd. Op al deze plannen wordt vertrokken van de reeds bestaande bebouwing en stratenstructuur in de ontmantelde citadel waarna men het aanwezige vijfhoekige plein ten dele probeert te bebouwen en te herdefiniëren in een half cirkelvormig plein en een vierkant plein. Zoeken naar de ideale verkaveling voor regelmatig gebastioneerde steden was brandend actueel zoals het voorbeeld van Philippeville aantoont. Deze grootschalige plattegronden bevatten verder geen enkele verwijzing naar de stad of de fortificaties. Reeds zo vroeg als begin 1578 waren er plannen om het voormalige gouverneursgebouw in de ontmantelde citadel om te bouwen tot paleis voor de prins van Oranje. Kunnen we de verkaveling van de citadel zien als een poging om alhier een nieuwe kern te creëren en dat het stadsbestuur de verkoopbaarheid van de gronden op de kasteelplaats gunstig inschatte?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afb.6: SAA, Ico.26/08c, 26/09c en 26/10c.

 

Met de bouw van de verbinding tussen stad en citadel hield men nog een resterende grondoppervlakte van 10 hectare over die niet tot de ‘esplanade’ diende te horen. Dat er plannen waren voor de civiele bebouwing van deze gronden is af te leiden uit een inventaris van projecten getekend door Peter Frans waarin vermeld staat: ‘[…]Drij busselen bijeen gebonden aengaende het castel, straten ende…op de pleyne met nieustadt int Suijt quartijer met het castel[11] net zoals het bestaan van een ontwerpplan uit circa 1572 waarop de contouren van de vrij te houden esplanade weergegeven zijn.[12]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afb.7: SAA, Ico.26/11c en vectorplan 26/11c.

 

Deze plattegrond toont slechts zeer summier de contouren van de citadel. Het primaire motief van het plan lijkt de contouraanduiding van de esplanade en slechts in de tweede plaats het voorstel tot de civiele invulling van de resterende gronden. De verschillende kleurvakken geven aan waar wat gebouwd mag worden. Het nieuw stratennetwerk wordt gedicteerd vanuit militair opzet. Centraal van de citadel verdelen de straten zich richting bestaande stratennetwerk van de stad, om op deze wijze troepenverplaatsing naar de stad toe te vergemakkelijken. Vervolgens zijn er enkele straten loodrecht getrokken op dit stratennetwerk in een poging tot een bepaald dambordpatroon verkaveling te komen. Het onbebouwd blijven van deze gronden kan grotendeels verklaard worden door de ongunstige economische periode in het begin van de jaren zeventig, ook mogen we de impact van de nabijheid van de dwangburcht op het koopgedrag niet minimaliseren.  

Wanneer we dit ontwerpplan plaatsen naast het ontwerpplan uit 1584, valt de overeenkomst in de verdeling van het stratennetwerk toch wel enigszins op. De veronderstelling dat bij het ontwerpplan uit 1584 het primaire stratennetwerk ook de militaire logica volgt is wellicht niet te ver gegrepen. We onderscheiden enerzijds de straat die voorheen van de citadelpoort richting stad voert, anderzijds een interne straat die van de kasteelplaats richting een der bastions voer die doorgetrokken wordt richting Sint Jorispoort. 
 

3. Praktijk en theorie tijdens de calvinistische periode 

De naam S. van Uffelen op het ontwerpplan uit 1584 vinden we tevens terug op enkele andere ontwerpplannen opgemaakt in de periode 1580-1583. Dat is op het ontwerpplan dat de aanleg van een straat op de gronden van het Predikherenklooster voorstelt, en tevens op de briefwisseling die voorafging aan de constructie van de Beggaardenstraat. De motieven die opgegeven werden bij de inplanting van de Beggaardenstraat zijn het vermelden waard. De straat moest er komen opdat alzo een snellere en vlottere verbinding bekomen werd tussen de Melkmarkt en de beurs, dit ten gunste van markthouders en handelaars. De constructie van de straat zou ‘sieraet’ en ‘commoditeit’ geven aan de stad, terminologie die rechtstreeks gehaald werd uit de geschriften van Vitruvius. Of Severin van Uffelen, die dan eens als ‘erfscheider’, dan weer als ‘tresorier’ en ‘stadshouder’ staat vermeld, ook daadwerkelijk ontwerper was van deze tekeningen lijkt onwaarschijnlijk. In de calvinistische periode was een klein leger van ingenieurs werkzaam te Antwerpen. Naast Hans Vredeman de Vries vinden we Hans van Schille, Abraham Andriessen en Dirk van Mol weer. Wellicht was Severin van Uffelen gelast met de opvolging van de projecten, in hoe verre hij invloed uitgeoefend heeft op de vorming van de ontwerpen dient onderzocht te worden.
In Antwerpen circuleerden voor 1577 reeds verschillende publicaties over architectuur en stedenbouw en wiskunde.[13] Werken over de verkaveling van polygonale steden waren zeker weer te vinden. Zowel Hans van Schille, als Daniël Specklin en Samuel Marolois, die korte tijd verbleven in Antwerpen, wijdden later in hun boeken over vestingbouw een hoofdstuk aan de inpassing van een citadel in een stad en de optimale civiele opvulling van het tussengebied op een militair gedicteerd grid.
 

III BESLUITEN

 

Het ontwerpplan uit 1584, dat een gedeeltelijke uitvoering kende, blijkt een eerste grootschalige planning te Antwerpen voor te bereiden sinds de noordelijk gelegen ‘Nieuwstad’ en de laatste voor de negentiende eeuw. In het licht van de economische hausse van 1583, verraadt het plan een interesse van de magistraat in stedelijke planning en grondspeculatie. Deze interesse is niet vreemd als we de activiteiten van Gilbert van Schoonbeke in het achterhoofd houden.[14] De gekozen verkavelingmethode die met betrekking tot de perceelvormen niet de meest voordelige is, lijkt gedicteerd door de militaire verdeelfunctie dat zodoende het verkavelingplan vorm geeft. Het ontwerpplan uit circa 1572 en latere publicaties van vestingbouwkundige, aanwezig te Antwerpen in de periode 1578-1585, bevestigen dit ten dele.

 

Het gebruik van militaire structuren in civiele ontwerpen (circulatie, veiligheid en overzicht); het onderstrepen van de aanwezigheid van belangrijke gebouwen zoals het paleis de kerk, het arsenaal en de aanleg van markten of pleinen; hiërarchie in het stratennetwerk al deze elementen passen in het aantrekkelijk maken van de aanwezige te verkopen woningen en gronden en zijn kenmerkend voor de transitie naar de barokke stad.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afb.8: Vectorplan van 26/12c, een analyse.

 

Dat het plan slechts een gedeeltelijke uitvoering kende is wellicht te wijten aan de herovering van Antwerpen door Farnese in augustus 1585. Citadel en esplanade werden bij de overgave van Antwerpen terug hersteld in hun originele vorm.



[1] De overgang van de middeleeuwen naar de moderne tijden wordt in Europa gekenmerkt door een sterke verstedelijking. Op het einde van de zestiende eeuw telden reeds 12 steden meer dan 100.000 inwoners tegenover 5 rond 1500. Naast deze sterke verstedelijking in de Renaissance karakteriseerde deze periode tevens de promotie van de stad. Door wijziging van economische, politieke en militaire omstandigheden werd voor het eerst sinds de Romeinse Oudheid opnieuw grootschaliger aandacht besteed aan ruimtelijke ordening. Toch vallen in grootsteden zoals Parijs, Londen, Madrid, Lissabon, enz. voor het midden van de zeventiende eeuw geen noemenswaardige stedenbouwkundige verwezenlijkingen te noteren. Vanuit stedenbouwkundig standpunt bekeken hebben deze steden rond 1600 het aanbeeld van monsterachtig gegroeide middeleeuwse steden. Enkel in Italië zien we in de loop van de zestiende eeuw de systematische wijziging van de infrastructuur van talrijke steden.   

[2] C. van den Heuvel, Italiaanse ontwerpen voor citadellen in de Nederlanden (1567-1571), p. 170.

 

[3] C. van den Heuvel, ‘Papiere bolwercken’. De introductie van de Italiaanse stede- en vestingbouw in de Nederlanden (1540-1609) en het gebruik van tekeningen, 1991.

[4] H. Soly, ‘De megapolis Antwerpen’., p.103.

[5] cfr. Collegiale Actenboeken.

[6] Jan de Vries zoals Hans Vredeman de Vries gewoonlijk wordt genoemd, blijkt het patroon voor het paleis van Zijne Excellentie (Willem van Oranje) aan het kasteel ontworpen te hebben, want op 29 april 1581 gelast de stadsmagistraat de tresoriers en rentmeester hem daarvoor 12 gld. uit te betalen. Zie: Antwerpsch Archievenblad, XVIII, blz. 303-305.

[7] “…In de periode 1543-1553 creëerde Gilbert van Schoonbeke niet minder dan 24 straten en drie markten. In een decennium nam deze ondernemer 30% van alle straten en markten die te Antwerpen in de zestiende eeuw werden geopend voor zijn rekening.” in H. Soly, Urbanisme en kapitalisme te Antwerpen in de zestiende eeuw, de stedebouwkundige en industriële ondernemingen van Gilbert van Schoonbeke, Brussel, 1977, p.379.

[8] “…De verkaveling van uitgestrekte terreinen, de opening van nieuwe straten en markten: alles werd overgelaten aan privé-ondernemers, die in de eerste plaats hun eigen materiele belangen behartigden. De magistraat beperkte zich tot het uitvaardigen van een aantal geboden betreffende de bouw van nieuwe huizen, het straatlawaai…” in H. Soly, Urbanisme en kapitalisme te Antwerpen in de zestiende eeuw, de stedebouwkundige en industriële ondernemingen van Gilbert van Schoonbeke, Brussel, 1977, p.383.

[9] Weten biedt de mogelijkheid om dwarsverbanden te leggen door de hele cultuur van een gegeven periode heen, omdat weten niet hetzelfde is als wetenschap. Weten staat in de reeks van discursieve praktijk-weten-wetenschapschap. Het sprekende en tekenende subject is er in ingebed en het is er afhankelijk van, maar het kan nooit optreden als de eigenaar ervan. Zie: W. Nijenhuis, Een wolk van duister weten. Geschriften over StedenbouwGeschiedenis, Eindhoven, 2003.

[10] E. Taverne, In’t land van belofte: in de nieue stadt. Ideaal en werkelijkheid van de stadsuitleg in de Republiek 1580-1680, Maarssen, 1978; P. Lombaerde, 1999.

[11] SAA, ‘Inventaris van alle pateroenen mv Adriaen Bos. Erfscheijder duer geleent heeft den 19 April 1569 de welcke mv Peeter Frans saligger met sijnder hant getrocken ende voor sijne copijen gehouden heeft’

[12] SAA, Ic. 26/11c.

[13] In 1539 publiceerde Pieter Coecke van Aelst een boek over de klassieke ordes, Die inventie der colommen(Antwerpen, 1539). Coecke gebruikte voor zijn werk de commentaren van Cesariano op Vitrivius. Antwerpen publiceerde en exporteerde meer boeken en gravures naar Engeland dan eender welk ander Europees land. Publicaties van Hieronymus Cock en Coecke (groote metselrijboek) introduceerde de idee en status van de ‘architect’ in de Nederlanden. Wat later werd de invloed van Vitruvius vermeld in Hans Vredeman de Vries zijn Architectura(Antwerpen, 1577, herdrukken 1581, 1597 en 1601). Boeken over geometrie, één van de zeven ‘artes liberales’, en wiskunde, werden reeds rond 1550 gedrukt en onder andere gebruikt voor architecturale toepassingen., in LOMBAERDE, P., Antwerp in is golden age:’one of the largest cities in the Low Countries’and ‘one of the best fortified in Europe.’, pp. 115-116.

[14] Bij de briefwisseling die voorafging aan de voor de constructie van de Beggaardenstraat wordt Van Schoonbeke letterlijk vermeld.