De rol van de fortengordels rond Antwerpen bij de Duitse invasie in België in 1914: een nieuwe benadering?

Piet Lombaerde
2 september 2014

De lezer stelt zich de vraag: waren de forten zandkastelen?
Het Nationaal Reduit Antwerpen bood slechts twaalf dagen weerstand tegen een Duitse legermacht van 100.000 manschappen, i.p.v. 12 maanden tegen een mogelijk leger van 300.000 soldaten. Maar welke waren de echte redenen waarom de weerbaarheid van het Nationaal Reduit zo snel aftakelde?
1. Waarom kwam deze problematiek tot nu toe nauwelijks aan bod? In 1918 werd op de militaire school de cursus over militaire architectuur afgeschaft. In 2014, met het emeritaat van de spreker, wordt deze opnieuw afgeschaft. Er is nog steeds te weinig onderzoek.
2. Spreker schetst het ontstaan van de fortengordels. Er waren reeds plannen onder Napoleon die duidelijk lieten zien dat er een overgang bezig was van het gebastioneerde systeem naar het polygonale systeem. In 1851 wordt het idee gelanceerd van Antwerpen uit te bouwen tot een verschanst kamp en Alexis Brialmont bouwt de eerste fortjes. In 1859 spreekt men over een 'nationaal reduit'. Hierin worden de principes vastgelegd van een fortengordel en een nieuwe aaneengesloten omwalling rond de stad. Waren die eerste forten aanvankelijk nog gedacht als gebastioneerd, dan opteert men uiteindelijk voor het polygonale systeem met binnenforten en flankerend vuur vanuit de kelen van de forten. Tijdens de Frans-Duitse oorlog komt men tot de conclusie dat Duitsland al over zeer zwaar geschut beschikt. Dit leidt ertoe dat men in 1878 begint aan de bouw van de buitenste fortengordel. Deze forten zijn compacter dan die van de eerste gordel, en evolueren van steen naar beton. Dit eerste zal een nadeel blijken te zijn: ze zijn sneller te vernietigen. Na 1900 worden de forten van Stabroek en St.-Katelijne-Waver zodanig versterkt dat ze obussen van 20 cm. aan moeten kunnen. Tevens worden inundatiegebieden voorzien, vooral aan de Noordkant van Antwerpen, maar ook aan de Zuidkant. Vanaf 1905 begint men een aanval van Duitsland te vrezen. Men bouwt de hoofdweerstandsstelling uit in zes sectoren. waarbij de forten van de tweede gordel met elkaar verbonden worden. In 1907 volgt nog eens een veiligheidsomwalling: een binnenlinie.
3. De Duitse aanval o.l.v. Hans Hartwig von Beseler concentreerde zich op de derde sector. Dit was de best verdedigde sector maar is tevens, wanneer deze zou vallen, de ultieme toegangspoort tot het hele gebied. Voorafgaand aan de aanval had het Belgisch leger de inundatie van het gebied bevolen alsook de afbraak van alle gebouwen binnen 600 m. van de forten. Dit betekende het verdwijnen van het dorp Liezele. De Duitsers wisten perfect waar ze moesten aanvallen en kenden de situatie in de forten zeer goed. Zij zetten hun zwaarste artillerie in waaronder geschut van de marine: Gross Bertha: 4 van de 4 beschikbare stukken met obussen van 42 cm., exclusief in België gebruikt voor Antwerpen, en ander geschut dat obussen van 30,5 cm. kon afschieten. Zowel in bereik als kracht kon het Belgische geschut hier niet tegen op. Men had dit ook niet verwacht maar deze stukken werden aangevoerd per trein via het zo goed als intacte Belgische spoorwegnet. Luik zou vallen na het afvuren van een 76 schoten, Namen na 850 schoten, Antwerpen kreeg 2760 schoten te verduren. Na de inname bleken de forten en hun geschut nog grotendeels intact te zijn, maar de manschappen hadden het niet kunnen volhouden omwille van de slechte verluchting, de ontploffingsgassen en de ontreddering veroorzaakt door de zware impact op de forten van het geschut waardoor de soldaten in shock gingen. Op 8 oktober begon men Antwerpen zelf te beschieten en er waren plannen om, op de kathedraal na, de hele stad plat te gooien. De overgave op 9 oktober was dan ook onvermijdelijk, vooral omdat de Duitsers bezig waren met een nog vernietigender kanon op te stellen.

Conclusie: zoals de toenmalige assistent van Von Beseler, Erich Wilhelm von Tschischwitz in 1918 al opmerkte, waren de forten in Antwerpen als constructie wel sterk, maar boden ze onvoldoende bescherming aan de manschappen die ze moesten verdedigen. Ook het feit dat men de bemanning van de forten niet tijdig kon aflossen, maakte de situatie voor de verdedigers onhoudbaar. Tevens werd te weinig munitie ter beschikking gesteld van het vestingleger dat de forten bemande.