De opkomst van de Zuid-Nederlandse handelaars: van Antwerpen naar Europa 1480-1585

Jeroen Puttevils
3 september 2013

 

In deze presentatie, gebaseerd op mijn proefschrift, onderzoek ik de opkomst van Zuid-Nederlandse handelaars die via de handelsstad Antwerpen actief werden op de Europese markten gedurende de zestiende eeuw. De verschillende mogelijke verklaringen voor de plotse commerciële macht van deze groep worden naast elkaar gelegd.
Antwerpse handelaars profiteerden van de industriële transformaties die de Nederlanden doorgemaakt hadden in de veertiende en vijftiende eeuw; de producten die de Nederlandse industrie voortbracht, deden het erg goed op de Europese markt en zelfs de wereldmarkt. Zuid-Nederlandse handelaars specialiseerden zich precies in Nederlands laken en tapijten en in lichtere stoffen zoals Hondschootse saaien. Heel wat van deze kooplieden kwamen uit de productieregio’s vooraleer ze naar Antwerpen verhuisden en kapitaliseerden zo het comparatieve voordeel gevormd door de goede relaties die zij met de industrie hadden. De groep kooplieden die vanuit de Nederlanden naar Antwerpen migreerden en daar een handelsbedrijf opzetten, groeide gestaag en steeds meer van deze handelaars en hun agenten zag men opduiken in andere Europese handelscentra.
Hoe kwamen deze ondernemers aan de nodige commerciële knowhow? De handelaars doorliepen formele, in scholen georganiseerde opleidingen, gingen een tijdje in de leer bij een ambachtsman en/of koopman en lazen gedrukte boekjes die onder de noemer Ars Mercatoria – of de kunst van het handeldrijven – vallen en veelal in Antwerpen, een belangrijk en vroeg drukkerscentrum, van de pers rolden. Precies de combinatie van verschillende mogelijkheden tot het opdoen van commerciële kennis en de schaal van de grote handelsstad Antwerpen maakte het mogelijk dat de Zuid-Nederlanders zich commercieel konden emanciperen.
Hoe financierden zij hun onderneming? Hier wordt gefocust op vennootschappen of partnerships en op private schuldtitels of obligaties. Via vennootschappen konden kooplieden kapitaal poolen; dat kapitaal kwam niet alleen van familie en vrienden maar kon ook van onbekenden komen. Voor die laatsten waren de contractuele garanties die opgenomen konden worden in een notariële akte natuurlijk essentieel. Ook de stedelijke overheid voorzag in het registreren van zulke contracten en, indien nodig, het afdwingen ervan. Zuid-Nederlandse handelaars maakten intensief gebruik van korte-termijn schuldtitels die circuleerden binnen het koopliedenmilieu en gebruikt werden als betaalmiddel. Maar dat circuleren hield natuurlijk risico’s in, in een steeds groeiende groep handelaars die mekaar niet noodzakelijk persoonlijk kenden en mekaars kredietwaardigheid konden inschatten. De stedelijke overheid, in samenspraak met de koopliedengemeenschap, stelde duidelijke contractregels op en vonniste in zaken waar er discussie was over de betaling van zulke obligaties.
Tot slot bekijken we de institutionele omgeving waarbinnen deze Zuid-Nederlandse kooplieden actief waren. Zowel Zuid-Nederlandse als buitenlandse handelaars vertrouwden op het neutrale oordeel van de stedelijke rechtbank wanneer deze kooplieden naar de rechtbank stapten voor een oplossing voor hun dispuut. Falingen laten zien dat de rechtbank maar één van vele formele en informele strategieën was voor debiteurs en crediteurs om tot een vergelijk te komen. Recent is heel wat geschreven over de impact van koopliedengilden – commerciële lobbygroepen. In deze historiografie wordt zestiende-eeuws Antwerpen opgevoerd als één van de plaatsen waar koopliedengilden minder belangrijk werden als oplossing voor de problemen die gepaard gingen met langeafstandshandel.
Mijn onderzoek toont echter aan er wel degelijk verschillende momenten zijn geweest waarop de Zuid-Nederlandse handelaars pogingen ondernomen hebben om een eigen gilde op te zetten. Zowel de stedelijke als de centrale overheid stonden grotendeels weigerachtig tegenover de voorgestelde incorporatieprojecten, vooral omdat ze vreesden dat ze de buitenlandse koopliedengilden die in Antwerpen actief waren, voor het hoofd zouden stootten en zo zouden verjagen. Deze buitenlandse groepen genoten belangrijke privileges en hadden omwille van de afhankelijkheid van de Antwerpse markt een stevige onderhandelingspositie. Ook in het buitenland kwam het maar zelden tot een formele organisatie van Zuid-Nederlandse handelaars. Toch heeft dit gebrek aan een eigen koopliedengilde de groeiende deelname van Zuid-Nederlandse handelaars aan de Europese handel niet in de weg gestaan. Misschien zelfs in tegendeel: doordat er geen vereniging was die bepaalde rechten op de handel had, stond deze langeafstandshandel open voor iedereen.
Deze analyse van de opkomst van een bepaalde groep handelaars op de Europese markten hoopt een bijdrage te leveren aan het debat rond instituties en de mechanismen van handel die de economische ontwikkeling van vroegmodern Europe bepaald hebben.