Kanunnik Floris Prims, Antwerpse stadsarchivaris buiten kader : een kijk op de aanstellingspolitiek van het Antwerps Schoon Verdiep en de beginnende professionalisering van het Antwerpse Stadsarchief tussen 1925-1950

Christel Van Damme
5 juni 2012

 

Floris Prims (1882-1954) is een onterecht vergeten figuur in de archivistische wereld. De priester-historicus was in het eerste kwart van de twintigste eeuw weliswaar vooral betrokken bij de uitbouw van de christelijke arbeidersbeweging in Vlaanderen, maar in 1925 werd hij – tot verbazing van velen - stadsarchivaris 'buiten kader' in het Antwerpse Stadsarchief.

Na het overlijden van de Antwerpse stadsarchivaris Bisschops einde 1923 had Prims het bisdom de toestemming gevraagd om zich voor de vacante functie kandidaat te stellen. Volgens sommige bronnen deed hij dat onder druk van zijn geestelijke oversten, "omdat hij op sociaal gebied al te vooruitstrevende gedachten verdedigde". Het schepencollege, en vooral schepen Camille Huysmans, zag de functie echter weggelegd voor Jan Denucé. Diens benoeming moest een eerherstel zijn, nadat het stadsbestuur de man na de Eerste Wereldoorlog wegens activisme uit de stadsdienst had ontslagen. De toenmalige burgemeester van Antwerpen Frans van Cauwelaert wilde zijn goede trouwe vriend Floris Prims echter niet in de kou laten staan, en zorgde ervoor dat Prims in een speciaal voor hem gecreëerde functie werd aangesteld: in de hoedanigheid van 'stadsarchivaris buiten kader' zou de priester-historicus zich vooral toeleggen op het schrijven van een nieuwe 'Geschiedenis van Antwerpen'.

In 1925 was er op het Antwerpse Stadsarchief van professionalisering en specialisatie echter nog niet veel te merken. De meeste archieffondsen die er bewaard werden, waren niet systematisch geordend, laat staan dat er indexen van bestonden. Alvorens zijn historisch onderzoekswerk te kunnen aanvatten moest Prims dus eerst inventarissen aanleggen van de fondsen die hij onder meer voor zijn Geschiedenis van Antwerpen nodig had. Volgens huidig stadsarchivaris van Antwerpen Inge Schoups pakte hij dat bijzonder professioneel aan. Zo stond hij er op, zich bij het opmaken van een inventaris strikt aan de oorspronkelijke orde van de archiefstukken te houden. Bovendien ging Prims met zijn "instellingsreflex" ook na hoe instellingen - voornamelijk uit het Ancien Régime, zijn stokpaardje - functioneerden, hoe het kwam dat de archieven ervan nog bestonden, hoe en welke delen ervan verloren waren gegaan, en of ze nog getraceerd konden worden. Al deze informatie nam hij op in zijn inventarissen. Zo doende was hij één van de eerste stadsarchivarissen, en zeker in Vlaanderen, die de nieuwe archivistische concepten toepaste, zonder dat er op het Antwerpse stadsarchief al richtlijnen in die zin bestonden. Nu was Prims, zoals trouwens de meeste archivarissen in de periode 1920-1950, historicus van opleiding, met dus op de eerste plaats een historische belangstelling. Zijn interesse voor de archivistische bedrijvigheid was daarom des te opvallender, en blijkt niet alleen uit tal van becommentarieerde inventarissen, maar ook uit zijn archievenoverzicht en de heropstart, samen met Denucé, van het Antwerpsch Archievenblad.

Prims' laatste jaren op het Stadsarchief waren niet zijn gelukkigste. Allereerst was daar de Tweede Wereldoorlog, die de normale werking op het archief vrijwel onmogelijk maakte. Daarnaast was er ook de ongemakkelijke relatie met de nieuwe stadsarchivaris Frans Blockmans, die in 1943 zijn intrede in het archief had gemaakt. Blockmans liet er geen twijfel over bestaan dat hij Prims, en met hem nog twee andere oudere archiefmedewerkers, het stadsarchief wilde uitwerken. Prims' afwezigheid tijdens de bombardementen op Antwerpen eind 1944 begin 1945 leek daartoe het geknipte argument. De kanunnik was immers langer weggebleven dan officieel aangevraagd. Blockmans deed er alles aan om de "onwettige afwezigheid" van Prims door het gemeentebestuur te doen veroordelen als een grove tekortkoming. Maar noch slechtsprekerij, noch officiële klachtenbrieven mochten baten: het verhoopte ontslag of de vervroegde oppensioenstelling bleef uit. Prims had immers meer medestanders op het stadhuis dan Blockmans vermoedde.

Prims werkte gestaag aan zijn Geschiedenis van Antwerpen verder, zelfs na zijn officiële pensionering op 1 april 1948. Het 29ste en laatste boekdeel van zijn levenswerk zag in 1949 het licht. Het stadsbestuur en het Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis, waarvan Prims intussen erevoorzitter was, zetten hem voor dit "monumentale werk" uitgebreid in de bloemetjes. Prims had zich daarmee plichtsbewust van zijn historiografische taak gekweten.

Dat Prims ook op archivistisch vlak zijn sporen verdiende, mag blijken uit het feit dat op het Antwerpse Stadsarchief zijn inventarissen nog steeds veelvuldig worden geraadpleegd en door archiefgebruikers als bijzonder nuttig en handig worden ervaren. Dankzij zijn voor die tijd moderne en doordachte kijk op het ordenen en oplijsten van archieven zorgde hij ervoor dat het Antwerpse Stadsarchief de twintigste-eeuwse archivistische evolutie vrij rimpelloos wist te doorstaan. En daar plukt de huidige archiefbezoeker nog dagelijks de vruchten van.


Bron:
Christel Van Damme, Kan. Floris Prims, geschiedschrijver voor stad, volk en geloof. Biografie van een sociaal-religieus geëngageerd historicus, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Universiteit Antwerpen, Antwerpen, 2008.