Archiefvormer, bewaarplaats of constructie? Een onderzoek naar de context van de Antwerpse Insolvente Boedelskamer

Elien Doesselaere
6 maart 2012

 

Decennia lang werd aangenomen dat de Insolvente Boedelskamer, een archief dat bescheiden bevat van grosso modo de 16de tot de 18de eeuw en bewaard wordt in het Antwerps stadsarchief, een rechterlijke instelling was in Antwerpen tijdens het Ancien Régime. Het stadsbestuur beval in 1518 immers dat de documenten van gefailleerden in beslag genomen en beheerd moesten worden door de amman, een hertogelijk officier. Maar deze ordonnantie maakt geen gewag van een ‘Insolvente Boedelskamer’. Deze stelling, dat de Insolvente Boedelskamer een instantie was ten tijde van het Ancien Régime, werd al eerder in twijfel getrokken. Ze is echter nog steeds internationaal wijdverspreid. Als men al aannam dat de Insolvente Boedelskamer geen archiefvormer was, dan dacht men dat het om een kamer in het stadhuis van Antwerpen ging waar die insolvente boedels, in beslag genomen door de amman, bewaard werden.

Uit onderzoek bleek dat de ‘Insolvente Boedelskamer’ helemaal niet bestond tijdens het Ancien Régime, noch als archiefvormer, noch als bewaarplaats. De inventarissen die bewaard zijn uit het Ancien Régime vermelden geen dergelijke instantie of plaats. We vonden ook geen beschrijvingen van archieven die het bestaan van een dergelijke kamer doen vermoeden. In de 19de eeuw beschrijft Verachter in twee inventarissen de ‘consignatiekamer’. Deze kamer bevat namen van 51 personen, waarvan diverse stukken geconsigneerd waren. 33 van de 51 namen zijn ook terug te vinden in de inventaris van de Insolvente Boedelskamer. We zijn nagenoeg zeker dat het hier dezelfde personen betreft, gelet op de niet-vaak voorkomende namen. Er moet dus een soort van link bestaan tussen de ‘consignatiekamer’ (inventaris van 1860) en de ‘Insolvente Boedelskamer’ (inventarissen van 1927-1932), maar deze valt in de bronnen niet te traceren. Doorheen het onderzoek steeg het vermoeden dat de term de ‘Insolvente Boedelskamer’ was uitgevonden door Jan Denucé, archivaris van Antwerpen van 1925 tot 1944. De term duikt immers de eerste keer op in een artikel uit 1926 van de hand van Denucé.  Uit ons onderzoek bleek dat het ontstaan van het fonds niet opklimt tot de vroegmoderne tijd. Op basis van verschillende bronnen (de faillissementswetgeving uit de 16de en 17de eeuw,  artikels van Denucé, literatuur over het stadsarchief en literatuur geschreven op basis van onderzoek in de archieven van de  Insolvente Boedelskamer) konden we niets anders dan concluderen dat het archief van de ‘Insolvente Boedelskamer’ zijn oorsprong kent in de 20ste eeuw. Het is een collectie van handelsarchieven, die doorheen de 20ste eeuw samengesteld is geweest. In 1926 nam het stadsarchief immers het initiatief om de bescheiden van economische aard bij elkaar te brengen in een fonds, wat een aantal jaren de ‘Insolvente Boedelskamer’ werd gedoopt.

Deze collectie werd bewaard in een gelijknamige kamer op het stadhuis, die in 1932 volledig versierd was.  De Ancien Régime archieven van de stad Antwerpen vertonen weinig contextinformatie, bijgevolg was het zeer moeilijk om dit archief juist te interpreteren. Bovendien is Denucé niet eenduidig in zijn teksten, waardoor we meer dan eens om een dwaalspoor terecht kwamen.

De ‘Insolvente Boedelskamer’ is dus een beeldrijke naam om een collectie belangrijke handelsarchieven aan te duiden. In het digitaal archievenoverzicht van het FelixArchief was de ‘Insolvente Boedelskamer’ oorspronkelijk te vinden onder ‘rechterlijke instellingen’ onder het  ‘Ancien Régime archief van de stad Antwerpen’. Bovendien deed de bijhorende uitleg vermoeden dat het archief enkel ‘insolvente boedels’ bevat die bewaard zijn gebleven door toedoen van de amman. Dit strookte niet met de werkelijkheid en droeg bij tot een foute interpretatie van het archief. Op basis van dit onderzoek werd de benaming van de collectie veranderd in ‘handelsarchieven verzameld in de “insolvente boedelskamer”’. Deze staan nu geordend onder de ‘private archieven’, onder de kop ‘bedrijven en verenigingen’. De bijhorende uitleg is eveneens aangepast, waarin duidelijk wordt gemaakt dat het hier gaat om een tot ver in de 20ste eeuw samengesteld geheel. We pleiten er echter nog steeds voor om zowel de inventaris –het archief is immers nog niet volledig geïnventariseerd- , als de inleiding van de inventaris van te herschrijven. In die inleiding wordt dan gewezen op het gegeven dat de Insolvente Boedelskamer een verzamelnaam is voor een collectie handelsarchieven, die oorsprong vindt in de 20ste eeuw en dus kunstmatig gevormd is. Op die manier wordt dit belangrijk archief van een juiste kadering voorzien en kan het correct geïnterpreteerd worden.