Rubenshuis en Rembrandthuis. De creatie van een spiegelbeeldig verleden.

Hans Cools
8 november 2011

Tijdens de laatste decennia van de negentiende eeuw werden zowel Antwerpen als Amsterdam, na een lange periode van verval, weerom economische en culturele centra van betekenis. Helden uit het verleden gaven dat nieuwe aanschijn nog meer glans. Rubens en Rembrandt vervulden die rol uitstekend. In beide steden bracht de cultus van roemrijke schilders gemeentebestuurders ertoe de woonhuizen van de genieën te kopen en in te richten als musea.

Hoewel de opeenvolgende Antwerpse colleges van burgemeester en schepenen al sinds 1880 op het Rubenshuis aasden, verwierf de stad pas in 1927 het recht om het pand te onteigenen. Het Rembrandthuis was daarentegen al in 1907 in publiek bezit gekomen. De modernistische architect Karel de Bazel (1869-1923) voerde er een ‘harde’ restauratie door. Weliswaar bracht hij de voorgevel terug naar de veronderstelde oorspronkelijke Hollands-classisitsche staat, maar binnenin vermeed hij zorgvuldig alle zeventiende-eeuwse ornamentiek. Sobere eikenhouten lambriseringen bedekten er de muren in plaats van overdadig leerbehang. Van bij de aanvang stond grafiek naar Rembrandts werk centraal in de collectie van het huis.

Dat voorbeeld wensten de Antwerpse cultuurprominenten Ary Delen (1883-1960) en Paul Buschmann (1890-1924) na te volgen. De eerste was destijds adjunct-conservator van het Museum Plantin-Moretus, de tweede leidde de gelijknamige familiedrukkerij. Beiden hadden dus een uitgesproken belangstelling voor grafiek. Maar hun pleidooien haalden het in Antwerpen niet. Van meet af aan streefden de restauratoren hier, onder leiding van stadsbouwmeester Emiel Van Averbeke, naar een herschepping van het origineel. Dat bleek moeilijk, al was het maar omdat we nauwelijks weten hoe het Rubenshuis er oorspronkelijk uitzag.

Toch ontpopte het Rubenshuis zich van bij de opening van het museum in 1946 tot een publiekstrekker van formaat. Dat voorbeeld verdiende navolging. In de tweede helft van de jaren 1990 heeft men in Amsterdam dan ook, onder andere onder uitdrukkelijke verwijzing naar het het Rubenshuis, de aankleding van de Bazel verwijderd. Intussen ziet Rembrandts huis er al weer goed een decennium uit als in 1656 bij het faillissement van de schilder, toen een ambtenaar van de Amsterdamse Desolate Boedelkamer de inventaris opmaakte.

Herinneringen, zeker die aan een ‘eigen, groots’ verleden gedijen blijkbaar in een historisch kader. Anders dan De Bazel, Buschmann en Delen klaarblijkelijk meenden, houdt geschiedbeoefening en zeker het tonen van geschiedenis, immers altijd een portie bedrog in.

 

 

Literatuur

Martha Bakker e.a. eds., Amsterdam in de tweede Gouden Eeuw, Bussum en Amsterdam, 2000.
Hans Cools, ‘Antwerpen: het Rubenshuis. Hoe artistieke grootheid wordt opgeroepen’, in J. Tollebeek e.a. eds., België. Een parcours van herinnering. I. Plaatsen van geschiedenis en expansie, Amsterdam (Bert Bakker), 2008, 137-149.
Adrien Jean Joseph Delen, Het huis van Pieter Pauwel Rubens. Wat het was, wat het werd, wat het worden kan, Brussel, 1933
Paul Huvenne, ‘Het Rubenshuis: van Rubens’ huis tot Museum’, in: Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, 26  (1987-1988), nr.4, p. 122-134.
P. de Rooy ed., Geschiedenis van Amsterdam. Tweestrijd om de hoofdstad. 1900-2000, Amsterdam, 2007.