De circulatie van technische kennis en de eindstrijd van de ambachten in het vroegmoderne Antwerpen (1500-1750): het voorbeeld van de kuipers en de zilversmeden

Raoul De Kerf
7 december 2010

 

Al sinds de middeleeuwen gold het officieel bij een erkend vrijmeester te hebben geleerd als cruciale voorwaarde bij uitstek om te mogen toetreden tot de geprivilegieerde kring der ambachtsmeesters bij wie de klant in principe zeker mocht zijn dat hij een goede kwaliteit aan een eerlijke prijs zou krijgen. In die zin hadden zowel meesters, leerlingen, kooplieden, klanten en de stad zelf baat bij een kwalitatief hoogstaande en efficiënte opleiding. Gegeven het belang daarvan en de hoge investering door beide partijen, werden contractafdwingende maatregelen reeds in de stichtingsordonnanties opgenomen. Maar tegenover de in ambachten gegroepeerde vrijmeesters, die een gesloten stad voorstonden, stonden handelaars die er vaak een andere visie op nahielden en een meer open stad nastreefden. In een open stad zouden kooplieden en winkeliers eender welk product tegen eender welke prijs op de markt mogen aanbieden, maar omdat ook vrijmeesters hun deel van het economisch surplus wilden, organiseerden zij zich en dwongen het privilege af dat de productie en eventueel bijkomende dienstverlening in de steden enkel door hen of onder hun supervisie mocht geschieden. Vandaar dat handelaars keer op keer probeerden de dure vrijmeesters te ontwijken door rechtstreeks onvrije (leer)knechten of gezellen aan te werven, een bedrog waaraan bovendien ook vaak vrijmeester-kuipers meehielpen die hun (leer)knechten of zelfs hun werkwinkel uitleenden. Geconfronteerd met de onophoudelijke overtredingen, besloot de ambachten om naar het einde van de zeventiende eeuw toe het monopolie beter te gaan bewaken en het meest voor de hand liggende middel hiertoe was door de controle over het officiële leerproces op te voeren. Enkel wie als leerling was geregistreerd en een officiële leertijd bij een vrijmeester in een vrijstad had volbracht, mocht toegang krijgen tot de meesterproef en tot het meesterschap. Wilde een (soms valse) leerling van meester veranderen (en omgekeerd), dan moest steeds de goedkeuring worden verkregen van de kamer. Van de regels op vlak van het officiële leren mocht nooit worden afgeweken. Deze moesten worden afgedwongen en aanvankelijk wijst alles erop dat het ambacht er rond ongeveer 1700 in begon te slagen de talrijke inbreuken op het privilege wat meer onder controle te krijgen. Maar toch was dit slechts schijn. Ondertussen was immers de achterliggende context veranderd. Bovenop de financiële- en reproductieproblemen, die het voor veel ambachten onmogelijk maakten om de toegang tot het ambacht exclusiever te maken, deed een aan de gang zijnde consumptie- en retail(r)evolutie de invloed van de handelaars nog verder toenemen en richtten leerknechten en arbeiders soms in samenwerking met meesters of hun weduwen schijnconstructies op om voor eigen rekening te kunnen werken. Over het leerproces van kandidaat-meesters die beweerden elders te zijn opgeleid, kon men nog veel minder controle uitoefenen. Bovendien begonnen deze vaak slechts half-opgeleiden zich ook nog tot de (in het kader van het staatsvormingsproces) naar meer macht strevende centrale overheid te wenden om dispensatie van leertijd te verkrijgen. In zekere zin ontstond zo een ‘alliantie’ tussen kooplieden, winkeliers, onvrije arbeiders, rondtrekkende vreemden, verlichte denkers, lokale en centrale overheden én een aantal vrijmeesters zelf, die allen vanuit hun eigen belang behalve de privileges van adel en kerk ook deze van de beroepsverbonden van producenten beu waren. Wanneer dan uiteindelijk de centrale en zelfs de stedelijke overheden zich langs de kant van de kooplieden en brouwers schaarden door het belangrijkste distinctiemiddel, namelijk de officiële leertijd, te ondergraven, werd de directe link tussen het leren volgens de regels van het ambacht en het statuut van de vrijmeester gebroken en was de strijd gestreden. Het hardnekkig vasthouden aan oude rechten kon niet langer. Zowel de ambachten als de steden moesten worden geopend, een proces dat reeds tegen het einde van de zeventiende eeuw onomkeerbaar was geworden.