De rol van Antwerpen in het Vlaamse economische nationalisme voor 1940

Of: het verschil tussen economisch nationalisme en regionale/lokale economische belangenbehartiging

 

Olivier Boehme
6 november 2007

 

Economisch nationalisme is lang niet hetzelfde als economische belangenvertegenwoordiging van een regio of lokaliteit binnen zo een regio. Economisch nationalisme is in de eerste plaats nationalisme met economische middelen. Daarbij kunnen economische belangen zelfs ondergeschikt worden gemaakt aan de ‘nationale idee’ met betrekking tot het gebied waarin ze gesitueerd zijn. Economische belangenvertegenwoordiging daarentegen staat vaak los van ‘nationale’ overwegingen, hoewel economische belangengroepen op hun beurt ook wel nationalisme kunnen inzetten als argument in een strijd die in de eerste plaats om materiële doeleinden gevoerd wordt.

Het economische nationalisme in Vlaanderen moet dus begrepen worden als een product van een al eerder ontstaan Vlaams nationalisme. De Vlaamse Beweging is een typisch voorbeeld van de obsessie die in de 19e eeuw rond taal groeide en die het politieke leven toen en later grondig heeft getekend. Om hierin inzicht te krijgen valt nog steeds veel op te steken van de analyse van Ernest Gellner over in elkaar grijpende politieke en economische processen die de moderne, rond één dominante taal gestructureerde, natiestaat gestalte hebben gegeven. De moderne natiestaat had immers één taal nodig als middel tot interne cohesie en als functioneel instrument, terwijl een nieuwe fase van de kapitalistische economie de nood deed ontstaan aan één ‘commandotaal’ waarmee massa’s door de staat getrainde werknemers hun specifieke functies konden uitoefenen.

Het België van 1830 was zo een moderne, in één taal functionerende staat. De eerste flaminganten toonden zich niet zozeer origineel door hun bijzondere aandacht voor de taal van een welbepaalde samenleving, maar eerder door hun stellingname ten voordele van het marginale ‘Vlaams’. Het ging om een vooral stedelijke, ook in Antwerpen sterk aanwezige, groep van meestal leden uit de burgerlijke middenklasse. Ze hadden oog voor de sociale problematiek in het arme Vlaanderen. Vanuit een sterk burgerlijke mentaliteit geloofden ze dat een kennisaanbod in de eigen Vlaamse/Nederlandse taal de kleine luiden in staat zou stellen sociaal te promoveren. Kon het leren van Frans dan geen uitweg bieden? Die oplossing stuitte op een culturele keuze die door deze ‘taalminnaars’ voor de sociale analyse al gemaakt was: een a-prioristische keuze voor de volkstaal.

Lodewijk De Raet, die eind 19e en begin 20e eeuw als eerste een systematisch Vlaamsgezind economisch programma uitwerkte, zag evengoed als zijn Franstalige landgenoten het belang in van één taal voor een gesmeerd lopende economie en sociale vooruitgang. Ook hij stelde voor Vlaanderen het Nederlands voor en niet het Frans, hoewel dat vanuit een strikt economische logica misschien wel meer voor de hand had gelegen. Waarom? Net om dezelfde reden als bij de eerste flaminganten: de Vlaamse cultuur en taal werden als waarden op zich gezien en kleurden zelfs de economische logica, die in de Vlaamse Beweging tijdens en na de Eerste Wereldoorlog steeds verder gevoerd werd. De Raet leverde de generaties na hem de ingrediënten waarop een economisch nationalisme kon stoelen: een volk met een specifieke cultuur en taal leeft in een welbepaalde regio waarin eigen economische sectoren ingebed zijn en waar taal leidt tot kennis, die een performanter functionerende economie en meer welvaart mogelijk maakt.

Hoewel heel de Vlaamse Beweging, met zijn vele strekkingen, doordrongen raakte van deze manier van denken, gaf de Eerste Wereldoorlog aanleiding tot het ontstaan van een radicale vleugel. Die ging niet alleen over tot samenwerking met de Duitse bezetter, maar zette na 1918 het gevecht om Vlaamse zelfstandigheid onverminderd verder. In deze kringen maakte een verregaand economisch nationalisme opgeld en hiervandaan gingen impulsen tot een dergelijke manier van kijken uit naar meer gematigde Vlaamsgezinden.

Hoe het economische nationalisme in de praktijk uitdraaide, valt goed te illustreren aan de hand van drie casussen die nauw verband houden met Antwerpen en zijn specifieke economische bedrijvigheden. De eerste van deze casussen betreft, hoe kan het anders, de haven. Ook Vlaams-nationalisten stelden grote verwachtingen in de mogelijkheden tot ‘Vlaamse opgang’ die deze haven bood. Opvallend genoeg leefde in deze kringen een vrij algemene consensus over vrijhandel als meest aangewezen politiek, precies omdat die cruciaal was voor de bloei van de maritieme sector. Het maakt duidelijk hoe economisch nationalisme niet noodzakelijk samenvalt met protectionisme, zoals in de literatuur wel eens verkeerdelijk wordt aangenomen. Omdat economisch nationalisme in de eerste plaats gebaseerd was op wat de diverse woordvoerders ervan beschouwden als het ‘nationale belang’, kon het ingevuld worden met uiteenlopende beleidsopties, in dit geval dus open grenzen en zeeën ten behoeve van een kleine, open economie. Diezelfde ‘nationalistische’ invalshoek echter kon Vlaams-nationalisten ook regelrecht doen ingaan tegen klaarblijkelijke havenbelangen. Na de oorlog immers onderhandelden België en Nederland over een waterwegenverdrag dat vooral het verkeer naar en van Antwerpen ten goede zou komen. Daarin ontwaarde de ploeg van Vlaanderen, een uiterst radicaal en ‘postactivistisch’ Vlaamsgezind tijdschrift, een gevaar. De haveneconomie werd namelijk gedomineerd door een Franstalig havenpatriciaat, handlangers van Parijs en Brussel. Een waterwegenverdrag zou hun positie en die van hun bondgenoten versterken en de ‘Groot-Nederlandse’ solidariteit ondermijnen. Deze Vlaamse radicalen hielpen dan ook de Rotterdamse havenlobby en Groot-Nederlanders uit het Noorden wat graag bij het kelderen van het ontwerpverdrag in 1927. Om nationalistische redenen werden de economische belangen van Antwerpen hier terzijde geschoven, onder het motto dat Vlaanderen beter arm maar ook onverfranst bleef. Het waren de gematigde flaminganten, zoals de Antwerpse burgemeester Frans Van Cauwelaert, én het Franstalige havenmilieu die de zuiver economische belangenbehartiging van hun stad ter harte namen.

Met de haven hingen nog andere kwesties samen die de nationalisten niet onberoerd lieten. Antwerpen kreeg er na de oorlog weer nieuwe dokken, sluizen en zelfs het Albertkanaal bij. De stad trok al voordien industrie aan en dat kon niet anders dan het economische belang van de regio dienen. Dat zagen de Vlaams-nationalisten ook wel in, maar onder hen klonken toch bezorgde geluiden over de mogelijk bijkomende verfransing die dat met zich meebracht. Heel duidelijk deed zich die ontwikkeling voor in Limburg waar sinds het begin van de 20e eeuw de steenkoolexploitatie in gang was gezet, maar met geld van uit Franstalig België en Frankrijk én met mensen uit Brussel en Wallonië. Het kwam er dus op aan ook het kapitaal en de bedrijfsleiding te vernederlandsen, wat in Antwerpen gedeeltelijk lukte met ‘oer-Vlaamse’ ondernemingen als Gevaert en De Beuckelaer.

De Limburgse kwestie ging echter over nog meer. Aan het begin van de jaren ’30, de crisisjaren, kwamen de stilaan verouderde en vaak uitgeputte Waalse steenkoolmijnen in zware problemen. Ten behoeve daarvan voerde de regering een protectionistisch beleid. Dat zette kwaad bloed in Vlaamsgezinde kringen en het Vlaams Economisch Verbond stak zijn protest niet onder stoelen of banken. De jonge Vlaamse mijnen dreigden zo immers in hun groei geremd te worden. Was het een Vlaams-Waalse kwestie? Niet helemaal, want de Vlaamsgezinde katholieke politici Van Cauwelaert en Philip Van Isacker hebben als ministers van Economische Zaken deze beschermingsmaatregelen ingevoerd. Al moet het gezegd dat de laatste in de plaats van de eerste is gekomen om het risico te vermijden dat die als Antwerpse politicus niet zou kunnen weerstaan aan de druk vanuit zijn stad. De havensector was dan ook helemaal niet opgezet met het steenkoolprotectionisme, dat de steenkooltrafiek met het Ruhrgebied in het gedrang bracht. Die scheepvaart- en handelskringen bestonden nochtans voor het merendeel niet uit flaminganten. Ook hier bestaat er dus een verschil, zij het deze keer geen regelrechte tegenkanting, tussen economisch nationalisme, zoals vertolkt door de specialist van de steenkoolkwestie priester Karel Pinxten, en lokale economische belangenverdediging. Lokale of regionale tegenstellingen hoeven ook in België niet altijd zonder meer communautair geduid te worden. De conflicten tussen cultureel vergelijkbare (in casu Franstalige) stedelijke elites, zoals die van respectievelijk Antwerpen en Brussel, zijn vaak niet minder revelerend.

Antwerpen was echter meer dan een maritiem centrum. De metropool aan de Schelde telde tussen de twee wereldoorlogen ook heel wat banken en andere financiële instellingen. Activisten als Liederik (pseudoniem voor Joris Fassotte) droomden hardop van de Meir als het Vlaamse Wallstreet en deze overdrijving weerspiegelde een ruimer verbreide Vlaamse ambitie. Toch is Antwerpen niet de kern geworden van een Vlaamse financiële macht, die er als zodanig evenmin gekomen is. Aan dit laatste feit was de verdeeldheid in Vlaamse kringen debet: in Antwerpen en daarbuiten staken verschillende zich als Vlaamsgezind aanprijzende banken de kop op zonder dat één ervan kon uitgroeien tot belangrijke proporties of zelfs lang wist te overleven. De Boerenbondbanken, met de Algemeene Bankvereeniging in Antwerpen, vormden wel een geduchte kracht, maar waren te katholiek om alle Vlamingen en zelfs de Vlaamsgezinden onder hen aan te spreken. Nog gezwegen van de geringe financiële draagkracht van de gemiddelde Vlaming. De Franstalige banken in Antwerpen hebben trouwens evenmin weten stand te houden. De oudste een één der grootste onder hen, de Banque d’Anvers, ging na de oorlog volledig op in de bank van de Société Générale. Ze was te klein om grootschalig te bankieren voor de bedrijfswereld en te laat om de nieuwe middenklasse aan te spreken.

Daarin heeft de Kredietbank, opvolger van de Algemeene Bankvereeniging, het dan weer niet zo slecht gedaan. Zij wist al vóór de oorlog een Nederlandstalige burgerij en de voor Vlaanderen typische kleine en middelgrote ondernemingen, die zich bij de grote Franstalige banken niet zo thuis voelden, aan te spreken. De Kredietbank heeft zo een vorm van cultureel nationalisme weten te gebruiken om er economisch beter van te worden. Deze omkering van de termen, waarbij nationalisme instrument voor economie wordt, sluit nochtans niet uit dat degene die het gebruikt er toch ook in gelooft. Voor de Antwerpse voorzitter van de Kredietbank, Fernand Collin, was dat zeker het geval. Duidelijk is wel dat hij niet tot die radicalen behoorden die economie opofferden voor één of andere ‘Vlaamse idee’. En de dromen over een Vlaams Wallstreet hadden al even weinig te maken met de nuchtere werkelijkheid van het financiewezen.

Het besluit van deze historische analyse kan slechts zijn dat het uitkijken is met vertogen die al te gemakkelijk de identificatie voltrekken tussen nationalistische denkbeelden, en daaraan gekoppelde economische programma’s, en het nastreven van – vaak groeps- of sectoraal gebonden - economische belangen van een regio of stad.

Publicatie:

Greep naar de markt: de sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum