De heropbloei van Antwerpen na 836: de verschillende hypotheses archeologisch en historisch herbekeken

Davy Herremans
8 mei 2007

 

Historisch zijn er een aantal aanwijzingen voor het bestaan van een Karolingische nederzetting in Antwerpen. De meest bekende bron voor de Karolingische periode, de Annales Fuldenses, verhaalt voor het jaar 836 over de verwoesting van Antwerpen door de Vikingen. Deze bron beschrijft het einde van de oude Merovingische nederzetting, waarschijnlijk gesitueerd op de terreinen van de voormalige Sint-Michielsabdij. De eerste bron die echt spreekt over de kern opgericht in de Karolingische periode is het Liber Traditionum van de Gentse Sint-Pietersabdij. Deze tekst spreekt voor het jaar 941 van « in vico Annuerpis » of « in de handelsnederzetting » van Antwerpen.

Toch blijft de periode zoals voor veel steden in Noord-West Europa een « duistere » tijd. Archeologische data ontbreken nagenoeg. Er zijn de resten van twee skeletten uit de 9de eeuw aangetroffen op de Koraalberg eind jaren ’90. Verder zijn er de gegevens uit het bodemonderzoek in en rond het Steen in de jaren ‘50 door de pionier voor de Vlaamse stadsarcheologie A.L.J. Vande Walle. De oudste data uit deze graafwerken werden vanouds toegeschreven aan de Karolingische periode. Het archeologisch onderzoek heeft de laatste 50 jaar echter niet stil gestaan en een enorme evolutie doorgemaakt zowel op vlak van opgravingstechniek, de contextuele interpretatie als de aardewerktypologieën. Een confrontatie van de oude data met de vooruitgang binnen deze wetenschap toont duidelijk aan dat de oudste sporen niet ontegensprekelijk teruggaan tot de 9de eeuw.

Het is ook op basis van deze verouderde interpretatie dat men de Karolingische vicus steeds binnen de D-shape rond het Steen plaatst. Het is echter weinig geweten dat er ook een waardevolle hypothese bestaat die de nederzetting situeert binnen de D-shape rond de natuurlijke hoogte van de Hoogstraat (hypothese ontwikkeld door De Meulemeester in de jaren ‘90). Deze theorie baseert zich op drie gegevens:

Eerst en vooral is er de louter visuele vaststelling van een halfcirkelvormig litteken in de stadsplattegrond gevormd door de Suikerrui, de Oude Korenmarkt, de Kammenstraat en de Sint-Jansvliet. Dit patroon wijst op de aanwezigheid van een aarden wal en een gracht. De bewoning werd aan de binnen- en buitenzijde ervan opgetrokken. De open ruimte werd bekomen door het nivelleren van de wal en het dempen van de gracht (vergelijkbare situatie met de D-shape rond het Steen).

Ten tweede is er het erg onwaarschijnlijk gegeven dat de Duitse keizer Otto II bij de aanleg van zijn castrum rond 980 een bloeiende vicus, die belangrijk genoeg werd geacht om te vermelden in de historische bronnen, van de kaart veegde om net op die gronden zijn burcht aan te leggen.

Ten derde is er de vaststelling dat de zone binnen de D-shape rond het Steen erg klein is om een handelsnederzetting te herbergen. Dit is gebleken uit de vergelijking van de oppervlakte met andere Karolingische sites uit het Vlaams-Artesisch gebied en verder onderzoek en vergelijk met een aantal vici uit de Scandinavische regio. Rond de burchtgracht was er geen bewoning vóór de 11de eeuw.

Ook past de situering van de vicus rond de Hoogstraat beter in de verdere stadsontwikkeling. Op het einde van de 10de eeuw krijgt men de situatie van een handelsnederzetting geflankeerd in het noorden door een burcht. Tussen deze twee kernen aan de voet van het castrum ontwikkelt zich de oudste markt, de Vismarkt. In de 11de eeuw groeit er ten oosten van de burcht een burchtdorp. Ten noorden van de versterking ontstaat er een economische kern, de Kraaijwijk. Na de aanval van de Vlamingen in 1055 wordt het burchtdorp versterkt met een ruiengordel. Eind 11de begin 12de eeuw is er nood aan een nieuwe markt, de latere Grote Markt. Deze wordt net zoals de nieuwe kerk, de Onze-Lieve-Vrouwkerk geplaatst waar ze bereikbaar is voor beide nederzettingskernen en waar er nog plaats is, tussen de vicus en de Ruienstad. De eerste gedegen stadsomwalling onder Hendrik I verenigt beide ontstaanskernen van Antwerpen.

Enkel nieuwe archeologische data kunnen uitsluitsel bieden over het situeren van de Karolingische kern. Ondertussen is het echter beter de discussie open te laten en te erkennen dat het plaatsen van de vicus onder het Steen niet langer een vaststaand feit is. De archeologische data leveren hier geen bewijs voor. Bijgevolg verdienen andere sterk geargumenteerde hypotheses hun plaats binnen het onderzoek naar vroegmiddeleeuws Antwerpen.

Problematiek kwam aan bod in:

HERREMANS D. (in voorbereiding). Une nouvelle chronologie pour la zone castrale d’Anvers. Les données archéologiques et historiques. Château Gaillard 23, Actes du colloque internationale de Houffalize, 4-10 septembre 2006 (Wallonie, Belgique). Caen.

HERREMANS D. 2006. De nederzettingsevolutie van vroeg-middeleeuws Antwerpen. Een confrontatie van de historische en de archeologische data. Deel 1: De Merovingische en Karolingische periode. Bulletin van de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek 2004/1: 1-86.

HERREMANS D. 2006. De nederzettingsevolutie van vroeg-middeleeuws Antwerpen. Een confrontatie van de historische en de archeologische data. Deel 2: De ontwikkeling tot aan de eerste stadsuitbreiding en de analoge ontwikkeling van Antwerpen en Gent.  Bulletin van de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek 2004/2: 1-60.

HERREMANS D. 2006. De problematiek omtrent de Karolingische vicus van Antwerpen. Congresbundel Symposium Onderzoek Jonge Archeologen 2005. Leiden: 117-124.

HERREMANS D. 2005. De ligging van de Karolingische vicus te Antwerpen: een onopgelost vraagstuk.  Archeologia mediaevalis 28. Namen : 109-114.

HERRREMANS D. 2005. De topografische evolutie van het Antwerps stadsgebied. Ontwikkeling en verdediging van de Romeinse tijd tot de eerste stadsuitbreiding. Ghent Archaeological Studies 2. Gent: 9-26.

Herremans D. 2004. De topografische evolutie van het Antwerps stadsgebied. Ontwikkeling en verdediging van de Romeinse tijd tot de eerste stadsuitbreiding (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling in de archeologie Ugent).