Antwerpens verzet tegen de centrale macht in 1659

Birgit Houben
6 maart 2007

 

Enkele decennia geleden, begonnen historici zich af te vragen of er gesproken kon worden van een algemene Europese revolutie rond het midden van de 17de eeuw. Hierbij verwezen ze naar het samenvallen van verschillende interne politieke conflicten over heel West-Europa. Maar de Zuidelijke Nederlanden kenden echter een relatief rustig verloop op binnenlands politiek vlak omdat de politiek mondige onderdanen zich wel konden vinden in de Spaanse vorst en omdat een ver doorgedreven centralisering en vorstelijk absolutisme er helemaal niet aan de orde waren. De Zuidelijke Nederlanden verkozen om bij Spanje te blijven in plaats van een deel te worden van het ‘ketterse’ Noorden, overheerst te worden door het absolutistische Frankrijk of de onafhankelijke toer op te gaan, wat ook geen garanties bood.

Toch ontstonden er in de Zuidelijke Nederlanden een aantal kleine lokale oproeren tegen de centrale macht in de 17de eeuw die meestal het werk waren van de ambachten. Ambachtelijk protest en oppositie waren in Brabant veelvoorkomend in Brussel, Antwerpen en Leuven; drie steden die heel wat politieke autonomie genoten. De ambachtelijke vertegenwoordigers, zoals de dekens, hadden daar geen expliciete politieke macht, maar als lid van het stadsbestuur hadden ze wel een zeg in fiscale aangelegenheden. In een periode wanneer de soeverein constant aan geldgebrek leed omwille van zijn uitgebreide oorlogsvoering, maakte dit de ambachtsdekens almachtig, gezien de koninklijke beden werden goedgekeurd door de Provinciale Staten, waarin de Brabantse steden een belangrijke rol speelden. De ambachten werden nog meer gevreesd omwille van hun mobilisatiecapaciteiten gezien ze een groot deel van de stadsbevolking vertegenwoordigden. Dat is de reden waarom de centrale macht verplicht was om een modus vivendi te ontwikkelen met hun politiek machtige stedelijke onderdanen. Om dit te bereiken, hadden beiden heel wat onderhandelingstactieken ter beschikking, die zoveel mogelijk hun eigen eisen moesten realiseren. Omdat deze onderhandelingstactieken zo succesvol waren, groeiden de lokale oproeren in de 17de-eeuwse Zuidelijke Nederlanden nooit uit tot echte opstanden.

Buiten Karin Van Honacker, hebben historici deze lokale collectieve acties die deel uitmaakten van een typische politieke cultuur van de Nederlanden, nooit echt grondig bestudeerd. De lezing behandelt één van deze oproeren, namelijk het verzet van de Antwerpse ambachten in 1659 waarbij de focus ligt op de interactie tussen de verschillende machtsniveaus: de centrale macht (vooral de gouverneur-generaal), de provinciale Raad van Brabant, de stadsmagistraat en de ambachten.

Na een grondige studie van het desbetreffende conflict kan er geconcludeerd worden dat de ambachtsdekens een grote impact hadden op de besluitvorming van de centrale macht wat betreft het lokale niveau. Hun mobilisatiecapaciteit was duidelijk een machtig wapen ter verdediging van hun belangen. Omdat de Spaanse monarchie een ernstige machtsterugval kende rond het midden van de 17de eeuw, leefde het centrale gezag in permanente vrees voor stedelijk ongenoegen dat het lokale niveau kon overschrijden gezien ze nauwelijks enige militaire of financiële middelen ter beschikking had als er een massamobilisatie zich zou voordoen. Jaar na jaar betekende dit een grote toegeeflijkheid op het vlak van de eisen van de Antwerpse ambachtsoversten. Zij profiteerden daarvan totdat de Raad van Brabant vonniste op 25 augustus 1659. Dit vonnis vormde voor de dekens de laatste druppel na een hele reeks van opeenvolgende conflicten met de centrale autoriteiten. Het wordt dan meteen ook duidelijk dat het verzet van 1659 verkeerdelijk ‘posterijoproer’ werd genoemd, aangezien het beschouwd kan worden als een gewelddadige eindfase van een serie conflicten sinds 1654[1]. Het oproer barstte echter helemaal niet uit tot een grootschalige opstand zoals het centrale gezag vreesde. Deze angst leidde eveneens tot de vredige onderhandelingen met de dekens nadat het oproer uitgedoofd was, en tot (opnieuw) een overwinning voor de ambachtsoversten omdat het betwiste vonnis van 1659 werd gecasseerd in 1660. De interactie tussen de verschillende machtsniveaus tijdens het verzet was erg onthullend. De volksmassa keerde zich tegen de magistraat en forceerde hem om dingen te doen waarvoor hij niet bevoegd was. Aan de andere kant was de magistraat niet te spreken over de tussenkomst van de provinciale Raad van Brabant, gezien hij het een bemoeienis vond in stadszaken. De Raad van Brabant op zijn beurt, handelde de zaak bijna volledig eigenhandig af. Alle belangrijke vorstelijke reglementen en ordonnanties werden uitgevaardigd op zijn advies, hij zorgde voor de gratietoekenning aan drie ter dood veroordeelden, en voor een generaal pardon van 1660. De plotselinge komst van de landvoogd naar de Scheldestad had een grote invloed op de deelnemers aan het verzet, hoewel hij verder niet meer deed dan de beslissingen van de Brabantse delegatie bekrachtigen. Het was inderdaad de Raad van Brabant die zijn stempel drukte op de afhandeling van de zaak. Dit is echter niet zo heel uitzonderlijk; Karin Van Honacker heeft reeds bewezen dat deze vorstelijke provinciale rechtbank alle lokale ordeverstoringen afhandelde in Brussel, Antwerpen en Leuven in zowel de 17de als de 18de eeuw. Misschien zou verder onderzoek in verband met deze materie wel kunnen uitwijzen dat ook de Raad van Vlaanderen net zo invloedrijk was. Indien dit het geval was, zouden we kunnen concluderen dat de controle van de provinciale autoriteiten over lokale en provinciale zaken in de 17de-eeuwse Spaanse Nederlanden die van de centrale macht oversteeg.

Publicatie
HOUBEN, B., Violence and political culture in Brabant. The Antwerp craft guilds' opposition against the central authorities in 1659, in: De Schepper, H. en Vermeir, R. ed., Hoge rechtspraak in de oude Nederlanden (Publicaties van de Vlaams-Nederlandse Vereniging voor Nieuwe Geschiedenis-5), Maastricht, 2006, p. 23-49.
 

[1] (1): ambachtelijk protest tegen het nieuwe stadsreglement van 1654, (2): ambachtelijk protest tegen de wederinvoering van de licenten in 1654, (3): ambachtelijk protest tegen de vraag van de bierbrouwers om accijnsverlaging in 1655, (4): ambachtelijk protest tegen de vrijstelling van taksen voor de clerus, (5): ambachtelijk protest tegen het monopolie van de Tassische postdienst, eind 16de eeuw-1659.