Antwerpse klanten en kleinhandelaars: tussen continuïteit en vernieuwing (ca. 1648-ca. 1748)

Ilja Van Damme
3 oktober 2006

 

De kleinhandel kende in Antwerpen vermoedelijk een relatieve groei in de jaren 1648-1748. Die dynamiek was duidelijk gelieerd aan gelijklopende veranderingen in het verbruik. Een verbreding van de vraag, roep naar nieuwigheid, en modieuze afwisseling, ging in elk geval gepaard met een ‘creatieve respons’ van de distributie inzake de rondgedragen producten. Hiervoor hoefde het winkeliers- en kleinhandelsvak blijkbaar niet fundamenteel van karakter te veranderen in vergelijking met de eeuwen daarvoor. Een intensiever gebruik van de al vergevorderde commerciële technieken in Antwerpen was klaarblijkelijk voldoende. Waarschijnlijk hielpen juist de bestaande interactiepatronen van klanten en kleinhandelaars in het ‘bemiddelen’ tussen een veranderende vraag en een wijzigend aanbod. Deze evolutie ging echter voorlopig structureel ten koste van lokale ambachtelijke kaders. Het opduiken van nieuwe, modieuze (en vaak ingevoerde) producten, vergrootte immers de rol van de (klein)handelaar in de bevoorrading van de plaatselijke consument en dit ten nadele van de aanwezige ‘producent-verkopers’ en sommige domeinen van de gelaagde distributiewereld (zoals de tweedehandsmarkt). Op korte termijn droeg dit, voor een fractie toch, bij tot de neergang van Antwerpen en de haperende economische groei van de industriële sector. Door de toenemende materiële verscheidenheid verplaatste de verbruiker een belangrijke deel van het beslissingsproces bij de aankoop van een duurzaam goed naar de verkoper. Die laatste kreeg hierdoor de mogelijkheid bepaalde ‘consumptiewaarden’ te bestendigen, en mogelijk creatief te intensiveren, via de introductie van nieuwigheid en het inspelen op afwisseling. Op de lange termijn lag hierin echter een toepasbaar model van productimitatie- en innovatie, dat ook de productiesector zich gelijktijdig, of toch bijna, zou eigen maken. Dit proefschrift heeft uiteindelijk willen aantonen dat een beter begrip van consumptie- en distributiewijzigingen enkel mogelijk is door de twee kanten in vergelijking te bestuderen. Toegepast op de Antwerpse context was dit des te relevanter, vermits het deïndustrialiseringsproces in de bestudeerde jaren nog steeds meer aandacht verdient. In de introductie van vernieuwing in de Scheldestad lag een belangrijke variabele om gedeeltelijk de neergang na 1648 te verklaren, en de herstructurering van de stedelijke economie na 1748 te begrijpen.