Vroege historie van Antwerpen, over de periode 65 tot 690 na Christus

Joep Rozemeyer
1 maart 2005

 

In 690 landt St. Willibrord in de ‘Monden van de Renus’ en kwam bij de burcht Trajectum, op de oever van dezelfde rivier.
Om die reden is Trajectum steeds aan de Renus, de Rijn, gezocht, en kwam Utrecht als lokalisatie in beeld. De vermelding van een Trajectum op een Romeinse weg van Nijmegen naar Leiden leek die hypothese te steunen. Nu staat het verloop van deze weg allerminst vast, waarmee ook Utrechts identificatie met dat Trajectum op losse schroeven staat.
Utrecht kan onmogelijk de lokalisatie van Trajectum zijn, want voor de periode van 275 tot 900 is archeologisch slechts een pakket gesedimenteerde klei te zien. Van de kerken van Willibrord is geen spoor gevonden, laat staan uit vroegere perioden.
Het Frankische Trajectum van Willibrord bestond al sinds 550, en bezat toen al een kerk. Ondenkbaar is dat het christendom destijds al zo ver noordelijk als Utrecht was doorgedrongen. Immers pas rond 635 missioneerden Eligius en Amandus in Noord-Vlaanderen onder de Friezen. En Bonifatius missioneerde pas rond 720 in het Linge-gebied. Frankische aanwezigheid in die tijd is zo ver noordelijk ook nooit vastgesteld. De noordelijkste Frankische kloosters en muntplaatsen reikten destijds niet verder dan Vlaanderen en Brabant. Prof. W. van Es zegt daarover: “In het centrale rivieren-gebied is de Friese invloed nog moeilijker aan te tonen dan de Frankische”.
Zette Alcuinus de historici wellicht op het verkeerde been? Hij noemt in feite niet de Renus, maar alleen de Renus-Monden, de toenmalige delta van Rijn, Maas en Schelde. Dan komt een ander zoekgebied voor Trajectum in beeld.
Tussen 550 en 719 is Trajectum wisselend in handen van Franken en Friezen. Het lijkt daarom zinnig de plaats te zoeken ergens in het toenmalige grensgebied van beide volken. Historici zijn het er over eens dat de zuidelijkste Friezen toen woonden tot aan het Zwin. Toponymie bevestigt Friese bewoning van het Schelde-mondingsgebied.
Gezien bemoeienis van Neustrië met Trajectum hoorde die plaats tot het West-Frankische Rijk. Uit diverse Rijksdelingen is op te maken dat Trajectum ergens lag tussen Ottogracht (de Schelde-tak van Gent naar de Westerschelde) en Maas. Utrecht ligt daar duidelijk buiten.
Verdere beschrijvingen van Trajectum noteren zoute schorren rondom de stad en een tol voor schepen van de zoute zee. Die zoute zee en schorren zijn bij Utrecht niet te plaatsen. Ook wordt beschreven dat je vanuit Trajectum met zuidenwind naar Walcheren kon varen; probeer dat maar eens vanuit Utrecht!
De enige plaats die aan veel kenmerken van Trajectum voldoet is Antwerpen. Dat lag in het Frankisch-Friese grensgebied. Het lag aan de Monden van de Renus, en had een burcht op de oever, met een kerk er in. Het lag in Neustrië, omgeven door schorren, en zeeschepen meerden er af. Vanuit Antwerpen ga je met zuidenwind ‘voor ‘t lapje’ naar Walcheren. Van Antwerpen is ook bewezen dat Willibrord er daadwerkelijk was: hij kreeg er de burchtkerk ten geschenke, en bezittingen in diverse dorpen rond Antwerpen, benevens een deel van de tol op de Schelde. Voor Utrecht is zijn aanwezigheid nooit bewezen. In Antwerpen bouwden Amandus en Willibrord, twee bisschoppen van (nota bene!) Trajectum, een kerk en missioneerden er onder de Friezen. De aanwezigheid van een zeer oud Willibrord Veld met een Willibrord-kerk juist buiten de stadsmuren van Antwerpen, en van een oude Willibrord-traditie in de regio Antwerpen zijn aanwijzingen voor zijn verblijf aldaar, die in Utrecht ontbreken.
Volgens kerkhistoricus Beda (731) werd Trajectum vroeger Viltenburg genoemd. De Vilten waren een Oostzeevolk. Relicten van een vroege invasie van ‘Noormannen’ uit de 5e -6e eeuw zijn in het Schelde-Durme gebied gevonden. In het Antwerpse Maritiem Museum zijn Drakarkoppen uit die periode te zien. In Utrecht ontbreken zulke vondsten volkomen.
Het is tenslotte de Kroniek van het Bisdom Trajectum uit 1346 die Utrecht als locatie voor Trajectum onderuit haalt. Deze kroniek, geschreven door Johannes de Beke, behandelt de historie van het bisdom Trajectum vanaf het begin, en is steeds toegeschreven aan het bisdom Utrecht. Nochtans vermeldt het origineel in de Latijnse tekst alleen de plaatsnaam ‘Trajectum’. Later werd dit vertaald met ‘Utrecht’. Dat is die schrijvers niet kwalijk te nemen aangezien er sinds 920 inderdaad een bisdom Utrecht bestond, als voortzetting van het vroegere bisdom Trajectum.
De Beke vertelt dat in 65 een Romein Antonius in ‘Holland’ een burcht aan de Rijn bouwde, die hij Antonina noemde. Deze plaats werd rond 400 door Vilten ingenomen, die er een kasteel bouwden en de plaats omdoopten tot Viltenburg. De Vilten spanden samen met de Friezen, maar werden in 450 verslagen door de Romeinse keizer, waarbij Viltenburg werd vernield. Daarna heerste de Frankische koning Dagobert er en timmerde ter plaatse een kasteel en noemde de plaats Trajectum. Er werd tol geheven van schepen van de Rijn en van de Zoute Zee. Binnen het kasteel bouwde Dagobert een kerk van waaruit de missie onder de Friezen werd gestart. Maar tevergeefs, de Friezen volharden in het heidendom en vernielden de kerk.
Duidelijk is dat hier niet de geschiedenis van Utrecht wordt vertelt: Willibrords Trajectum-Viltenburg lag, zoals aangetoond, in Antwerpen; Friezen zijn wel bij Antwerpen te lokaliseren maar niet bij Utrecht; in de tijd van Dagobert lag Utrecht nog niet binnen het Frankische Rijk, en was daar zeker nog geen kerk; en Utrecht lag niet bij de zoute zee.
Waarom claimt Utrecht dan nog steeds Willibrords Trajectum te zijn? Omdat Utrecht de latere erfgenaam werd van het bisdom Trajectum. Rond 920 verdwijnt de naam Trajectum en blijkt de bisschopszetel metterdaad verplaatst naar Utrecht.