Joos van Craesbeeck (1605/06-ca.1660) of ‘den tweeden Brouwer’: reilen en zeilen van een schilder-bakker in het zeventiende-eeuwse Brabant

Karolien De Clippel
2 maart 2004

 

Tot op heden is slechts een heel fragmentarisch beeld overgeleverd omtrent Joos van Craesbeeck. Hij staat eenvoudigweg bekend als de liederlijke bakker-schilder en hij werd gereduceerd tot een triviale navolger van Adriaen Brouwer. Deze beeldvorming is in sterke mate bepaald door de negentiende-eeuwse patriottische romantiek en doet onrecht aan deze intrigerende persoonlijkheid die een boeiend en idiosyncratisch oeuvre wist op te bouwen.

Van Craesbeeck werd geboren omstreeks 1605/06, als zoon van Joos van Craesbeeck sr., schepen te Neerlinter en later voorzitter van het plaatselijke leenhof. Afkomstig uit een welvarend en maatschappelijk geëngageerd gezin, verliet hij op een gegeven moment zijn Hagelands geboortedorp om zich te gaan vestigen in de Antwerpse citadel. In 1631 huwde hij er Johanna Tielens, de dochter van de plaatselijke bakker. Nog geen drie weken na deze verbintenis werd een liefdeskind geboren. Later in datzelfde jaar liet Van Craesbeeck zich inschrijven als poorter te Antwerpen in de hoedanigheid van bakker. In de loop van het rekenjaar 1633-34 liet hij zich als meester op de rol van het Sint-Lucasgilde noteren, vanzelfsprekend als schilder, maar, opvallend genoeg, ook nog steeds als bakker. Van Craesbeeck deed met andere woorden voor een bepaalde periode van zijn actieve leven aan beroepscumul, mogelijk als overlevingsstrategie. Ofschoon hij hierdoor geen geïsoleerd geval was in de Antwerpse schilderswereld van het Ancien Régime, was de diversificatie van het inkomen over twee totaal verschillende lucratieve bezigheden toch uitzonderlijk voor kunstenaars die naambekendheid genoten.
 In 1651 schreef hij zich in als lid van het Brusselse gilde, nu enkel en alleen als schilder. In de hoofdstad ontplooide hij zich verder, bouwde een atelier uit en liet twee leerlingen inschrijven. Na een bewogen leven gaf hij tenslotte de geest rond 1660.

Ondanks het late aanvangsmoment van zijn artistieke loopbaan en de langdurige halftijdse beoefening ervan, is Van Craesbeeck er toch in geslaagd om op relatief korte termijn een aanzienlijk en boeiend oeuvre op te bouwen. Van de bijna dertig jaar dat hij artistiek actief was, zijn zowat 120 authentieke schilderijen tot ons gekomen. Het oeuvre van de Brabantse kunstenaar ressorteert onder de picturale categorie die men doorgaans als genreschilderkunst aanduidt. Zijn eerste werken verraden duidelijk de invloed van Adriaen Brouwer, die hem hoogstwaarschijnlijk de knepen van het vak leerde. Toch stond Van Craesbeeck eveneens open voor andere, ook Noord-Nederlandse, kunstenaars. De voornaamsten onder hen zijn Rembrandt, Teniers en Pieter Bruegel de Oude. Bovendien was hij bijzonder origineel door de frequente zelfportrettering, in individuele schilderijen, maar ook als onderdeel van ruimere composities. Hierin ging hij Jan Steen vooraf. Zijn werkjes waren hoofdzakelijk bestemd voor de vrije markt en werden gekocht door een lachgraag publiek.

Publicaties: 

Joos van Craesbeeck (ca. 1606/08-1660). Een monografische studie over een Brabants genreschilder (Pictura Nova XI), Turnhout: Brepols, 2006.
‘Brouwer and Portraiture. Some New Identifications and an Iconographical Novelty’, Simiolus, vol. 30-3/4 (2004).
‘Craesbeeck, Joos van’, Nationaal Biografisch Woordenboek, vol. 17, Brussels.
‘For Old Time Sake: Breugel and Witty Inventions in Seventeenth-Century Flemish Genre Painting’, Bulletin Musées Royaux des Beaux-Arts de Belgique Bruxelles/Bulletin Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (2003).