Antwerpse kooplieden in Amsterdam na 1585: een stand van zaken

Karel Degryse
6 januari 2004

 

(samenvatting samengesteld door de webmaster op basis van de nota's van de spreker)

Deze lezing bespreekt het recente historisch onderzoek in Nederland omtrent de discussie of en in hoeverre mate de uitgeweken Antwerpenaars invloed hebben uitgeoefend op de sociaal-economische bloei in de Verenigde Provinciën in de 17de eeuw. In K. Degryse, Zuid-Nederlands kapitaal in de VOC en de voorcompagnieën, in: Archief van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1997 was één van de besluiten dat de uit Antwerpen afkomstige aandeelhouders en -families niet tot de Antwerpse top van de jaren 1574-1585 behoorden. De schrijver formuleerde dan ook de hypothese "dat het niet zozeer de rijkste Antwerpenaars waren die na 1585 uitweken, maar wellicht de durvers en de meest dynamische elementen, wat economisch gezien nog belangrijker is dan zuivere kapitaaluitwijking".

Jonathan Israel, Dutch Primacy in World Trade, uit 1989 meende dat de uitgewekenen belangrijk waren omdat zij de 'rich trades' (luxeproducten zoals textiel, suiker en specerijen) naar Amsterdam brachten. De Antwerpse kooplieden waren volgens Israel een "onmisbaar ingrediënt" in de opkomst van de Hollandse stapelmarkt. Hierop kwam veel reactie vanuit Nederland: in 1995 verklaarden De Vries en Van der Woude in hun handboek Nederland 1500-1815 zich niet akkoord met de stelling van Israel. De immigratie was weliswaar belangrijk maar niet doorslaggevend. Belangrijker vonden ze de interne economische dynamiek van Amsterdam die te danken was aan de handel op de Oost- en Noordzee en de maritieme superioriteit: "het Hollandse mirakel". De overzichtstudies en syntheses van Israel , De Vries en Van der Woude steunden niet op nieuw onderzoek.

De eerste nieuwe studie op basis van nieuw onderzoek was die van Oscar Gelderblom, Zuid-Nederlandse kooplieden en de opkomst van de Amsterdamse stapelmarkt (1578-1630), Hilversum, 2000. Gelderblom maakte een prosopografische studie over 852 Zuid-Nederlandse kooplieden in Amsterdam. Rond 1610 vertegenwoordigden zij 33% van het Amsterdamse koopliedenbestand (11% in 1585; 20% in 1630). Hoewel hij heel wat interessant materiaal aanbrengt kunnen bij zijn conclusies heel wat vraagtekens geplaatst worden (wat heel wat recensenten ook deden). Hij vindt de komst van de Zuid-Nederlandse immigranten niet van cruciaal belang voor de ontwikkeling van de Amsterdamse stapelmarkt. De Hollandse kooplieden in Amsterdam waren talrijker, even rijk en waren ook actief in de 'rich trades'. De Zuid-Nederlandse kooplieden hebben gewoon meegeprofiteerd. Tegen deze stellingen kwamen reacties van Eric Wijnroks en Clé Lesger

Eric Wijnroks, Handel tussen Rusland en de Nederlanden, 1560-1640: een netwerkanalyse van de Antwerpse en Amsterdamse kooplieden handelend op Rusland, Hilversum, 2003. Hij stelt vast dat in de periode 1560-1585 de Ruslandhandel (een 'rich trade') een Antwerpse aangelegenheid is, vanaf 1585 tot 1640 een Amsterdamse. Hij wijst op de continuïteit van de economische netwerken die van Antwerpen naar Amsterdam zijn overgebracht. Niet enkel het persoonlijke fortuin maar het netwerk, waardoor men kapitaal van verwanten kan aanspreken, is belangrijk. Vertrouwensrelaties zijn cruciaal: grote families, met elkaar verbonden via een goede huwelijkspolitiek. In dat verband bespreekt Wijnroks ook het fenomeen van de 'ideale schoonzoon', een oudere, ervaren koopman die met de oudste dochter op relatief jonge leeftijd was aangetrouwd en zich al in de zaak had opgewerkt waardoor hij, bij het overlijden van de 'pater familias' de zaak kon in stand houden tot de zonen ze konden overnemen.

Clé Lesger, Handel in Amsterdam ten tijde van de opstand: kooplieden, commerciële expansie en verandering in de ruimtelijke economie van de Nederlanden, ca. 1550 - ca. 1630, Hilversum, 2001. Lesger stelt vast dat Amsterdam niet langer een stapelmarkt was: de contacten waren immers al zo goed uitgebouwd dat men geen stapelmarkt, waar alle productieoverschotten naar toe werden gebracht om de juiste prijs te kunnen inschatten, meer nodig had. Hij komt tot het besluit dat de Nederlanden voor 1585 één grote economische ruimte vormden met Antwerpen als grootste centrum maar met twee 'gateways' (toegangspoorten): de Scheldehavens (waaronder Antwerpen), gericht op Engeland, Frankrijk en het Iberische schiereiland, en de Noord-Hollandse havens gericht op Noord en Oost-Europa. Tussen deze 'gateways' was een netwerk uitgebouwd waarbij een Antwerpen een centrale rol speelde. Bij de val van Antwerpen wordt dit systeem door elkaar geschut, maar het is terug hersteld rond 1590 waarbij Amsterdam de rol van Antwerpen overgenomen heeft. De inwijkelingen hebben de netwerken en relaties die er waren tot 1585 tussen de Scheldehavens en Engeland, Frankrijk en het Iberische schiereiland ingebracht. Via de studie van het archief van de Amsterdamse Wisselbank stelde Lesger vast dat de Zuid-Nederlanders een opvallend grotere omzet hadden dan hun collega's. Mogelijk speelde de geringe mogelijkheden om op politiek vlak promotie te maken hierin een rol waardoor de Zuid-Nederlanders zich exclusief op handel bleven toeleggen.

De discussie over de rol van de Antwerpenaars is zeker nog niet afgerond. Over het boek van Lesger verscheen een discussiedossier: Afscheid van de stapelmarkt, in: BMGN, 118 (2003), p. 41-48. Deelnemers waren Lesger, Gelderblom en Veluwenkamp. Spreker hoopt dat ook meer Antwerpse historici zich in deze discussie gaan mengen.