Abraham Janssen (ca. 1571/75-Antwerpen 1632)

... ‘een seer fameus meester ende schilder in syne levene binnen deser stadt’

Joost Vander Auwera
4 mei 2004

 

Hoewel de schilder Abraham Janssen van Nuyssen zowat een decennium na zijn dood nog werd betiteld als een zeer befaamd schilder, is hij heden vrijwel geheel in de schaduw van Rubens verdwenen, tenzij dan voor  de specialisten van de Vlaamse schilderkunst uit de zeventiende eeuw. En zelfs bij hen bleef het inzicht in Janssens leven, milieu en oeuvre, vrij eenzijdig, verre van volledig en onderhevig aan misverstanden. Symptomatisch hiervoor is het feit dat Janssen in de meeste kunsthistorische overzichten als een voorloper van Rubens wordt behandeld, terwijl Janssen en Rubens in werkelijkheid vrijwel exacte tijdgenoten waren. Spreker, die in 2003 een proefschrift  over Janssen verdedigde aan de Universiteit Gent bij Prof. dr. Claire Van Damme, wilde dat beeld bijstellen. Hij gaf vooreerst een beknopte toelichting bij zijn methodologische benadering van de bronnenstudie, van de historische kritiek en van de artistieke interpretatie van Janssens oeuvre. Hij toonde ook een reeks voorbeelden van Janssens beeldtypes en beeldende bronnen, als alternatief interpretatiekader voor de gangbare dichotomie van periodestijlen, waarin Rubens’ kunst de barok zou moeten belichamen, en Janssens oeuvre een nobel classicisme. En hij illustreerde hoe het oeuvre van Janssen onderscheiden dient te worden van dat van zijn schilderende kinderen, Anna-Maria (Antwerpen, ca. 1603/04- nà 1668) en Abraham II Janssen (Antwerpen 1616 - nà 1668), van wie het werk meestal onder hun vaders naam gekend is.

Gezien de aard van het Genootschap besteeddde spreker echter vooral aandacht aan de Antwerpse connecties van de kunstenaar. Enerzijds betoogde hij dat bekende verhalen over Janssen als een liederlijk Antwerps kunstenaar, door de archivalia worden tegengesproken, terwijl anderzijds biografische factoren die wel van groot belang waren, ten onrechte geheel in de vergetelheid geraakten.  Janssens zuster Maria Jansen (Antwerpen ca. 1580-1660) dient hier b.v. vermeld : verschillende kinderen uit haar huwelijk met de koopman Paschier Engelgrave (ca. 1578-1616) maakten carrière bij de de jesuïeten en de dominicanen, voor wie Janssen later opdrachten zou uitvoeren. Zij was bovendien de doopmeter van David II Teniers, conservator van de kunstverzameling van aartshertog Leopold-Wilhelm, waarin ook Janssens Allegrezza en Malinconia werd bewaard. Belangrijker nog was Janssens stiefvader, de schoolmeester Assuerus Boon (vermeld te Antwerpen vanaf 1576 – 1609). Na de vroegtijdige dood in 1584 van Jan Janssen, waarschijnlijk een uit Luik afkomstige messenverkoper en Abrahams minder begoede vader,  moet het Boons financiële  steun zijn geweest die Janssens Italiëreis (ca. 1597- ca. 1601/02) mogelijk maakte. Als leraar en mede-auteur van handboeken moderne talen, vormde Boon een onmisbare schakel in de opleiding van Antwerpse kooplui met internationale handelsnetwerken. Als iemand die zich zowel letterlijk als figuurlijk in de marge van die handeldrijvende burgerij bewoog - hij zou zich ook metterwoon bij de Beurs vestigen - werd Boon richtinggevend voor Janssens degelijke en burgerlijke, maar niet door de antieke talen bevruchte opvoeding. Daardoor zou Janssen zich als kunstenaar steeds wezenlijk  blijven onderscheiden van Rubens die uit het stadspatriciaat stamde en humanistisch opgeleid was. Door zijn huwelijk in 1602 met Sara Goetkint (Antwerpen 1575-1644), koos Janssen weliswaar een telg uit een geslacht van kunsthandelaars tot vrouw,  maar door familieruzies speelden de Goetkints/alias Bonenfants geen rol van betekenis in de verspreiding van Janssens kunst. Pas door het uithuwelijken van zijn dochters aan kunstenaars/alias kunsthandelaars zoals Jan II Breughel, Gillis de Smit en Jean Valdor, zou Janssen nieuwe distributiekanalen aanboren en zou hij vanaf de jaren 1620, toen hij op de internationale markt en bij de hoogste kringen door Rubens werd verdrongen, zich terugplooien op locale en Iberische afzetgebieden.

Onder de Antwerpse connecties in Janssens oeuvre, zijn vermeldenswaard : de door Hans Vlieghe toegeschreven Maaltijd te Emmaüs in de kerk van de ongeschoeide carmelitessen op de Rosier; de zeldzame diploma-editie met lofdicht van Johannes Woverius, van de prent uit 1605 van Peter I de Jode naar Janssens Portret van Justus Lipsius in het Museum Plantijn-Moretus; de Epifanie voor het graf van Janssens schoonbroer in  de St.-Pauluskerk, heden  in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten; het teruggevonden origineel van een  Madonna met Kind waarvan een atelierversie zich bevindt in de reserves van hetzelfde Museum; de recent opgedoken Maria met Kind en Sint-Janneken van ca. 1620-’21 in de Aetas Aurea-stichting te Vaduz, die direct is geïnspireerd door Caravaggio’s Madonna van de Rozenkrans eertijds in de Sint-Pauluskerk en waarbij de datering van Janssens versie tot de conclusie leidt dat die Caravaggio zich reeds omstreeks 1619 in Antwerpen moet hebben bevonden; de door Hanna Benesz in de Warschause museumreserve ontdekte Bewening voor het graf van Gillis Fabri en Magdalena van Woonsel bij de geschoeide karmelieten; en de in Italië opgedoken Heilige Franciscus van Assissi door engelen vertroost uit het klooster van de Brigittinen te Hoboken, die spoorloos was sinds de opheffing van het klooster door Jozef II en de veiling van het doek te Brussel in 1784.