Het Eilandje, 1830-1914: ruimtelijke analyse en sociaal-economische betekenis

Sofie De Caigny
8 januari 2002

 

Het Eilandje ontstond in de 19de eeuw uit de relatief geïsoleerde Nieuwstad en bloeide uit tot een levendige havenwijk die de verbinding betekende tussen stad en haven. Het opzet van het onderzoek was een synthese tot stand te brengen van alle sociaal - economische processen die de vormingsgeschiedenis van dit stadsdeel hebben beïnvloed tussen 1830 en de Eerste Wereldoorlog. In de eerste plaats werd het urbanisatieproces toegelicht. Het tweede luik van de uiteenzetting had betrekking op de sociaal-economische betekenis die het Eilandje betekende voor de eigenaars van het vastgoed, de bouwheren en de bewoners.

Het urbanisatieproces van het Eilandje voltrok zich in een aantal fasen. Concreet verstedelijkten eerst de delen van het Eilandje die het meest aansloten bij de oude stad. Het proces verliep van zuid naar noord, waarmee het Eilandje deels aansloot bij het centrifugale karakter van de 19de-eeuwse stadsexpansie. In de aanvangsperiode (1834-1867) werden slechts enkele nieuwe constructies gerealiseerd. De eigenaars van de gebouwen van de Nieuwstad vormden een hecht en onderling afhankelijk maritiem netwerk waarin zowel scheepsbouwers als reders de belangrijkste figuren waren. Velen van deze eigenaars waren van Franse, Engelse of Duitse afkomst. Het gebied vormde door haar relatieve leegte een grote uitzondering op het stedelijk verdichtingsproces dat Antwerpen onderging in de eerste helft van de 19de eeuw ten gevolge van een sterk stijgende bevolkingsdruk. Door het chronisch plaatsgebrek voor haven- en stadsontwikkeling in Antwerpen, viel in 1859 de beslissing dat de wallen zouden verdwijnen. De afbraak van de militaire stadsvesten zou zich manifesteren als het meest cruciale feit in de moderne Antwerpse stedenbouwkundige evolutie. Ook het Eilandje transformeerde volledig in het midden van de jaren 1860. Na de afbraak van de stadswal zette zich echter een bloeiende fase van hoogconjunctuur in die tot 1885 zou aanhouden. Tegen het einde van de 19de eeuw daalde deze positieve trend. Pas vanaf 1904 tot aan de Eerste Wereldoorlog werd opnieuw een gestegen bouwactiviteit vastgesteld.

Dit cyclisch bouwproces vertoonde grote parallellen met het huurprijzenverloop. Zo bleek dat in perioden van hoge huurprijzen er relatief meer woningen werden gebouwd. De bouwheren waren in dergelijke fasen van hoogconjunctuur veelal zelfstandigen die niet-havengebonden beroepen uitoefenden. Wanneer het huurprijzenpeil stagneerde, namen de economische constructies de bovenhand. Zij werden veelal gerealiseerd door havengebonden bouwheren. De bewoners oefenden doorheen de hele negentiende eeuw havengebonden beroepen uit, hoewel zich ook hier een verschuiving voltrok. Aanvankelijk waren zij actief op de scheepswerven die zich op en rondom het latere Eilandje bevonden. Naarmate de haven echter naar het noorden uitbreidde, woonden er ook veel dokwerkers in het stadsdeel en groeide het aantal schippers dat op het Eilandje hun waladres koos.

Twee bovenliggende wetmatigheden lichtten telkens op in het ontwikkelingsproces. In de eerste plaats voltrok zich zowel op stedenbouwkundig als op sociaal en economisch vlak een breuk op het moment van het slopen van de wallen in 1866. Deze cesuur was dermate ingrijpend voor het Eilandje dat zij niet alleen als katalysator optrad in het urbanisatieproces, maar tevens de eigendomsstructuur en de sociale woonsituatie diepgaand wijzigde. In de tweede plaats bepaalde de uitzonderlijke ligging van het Eilandje - zowel deel van de haven als van de stad - dat er doorheen de 19de eeuw steeds een spanning bestond tussen de economische havenbelangen en de residentiële stadsbelangen, wat resulteerde in een diversiteit aan functies.