Jan van Rijswijck: de populairste liberale burgemeester van Antwerpen (1892-1906)

Lode Hancké
4 december 2001

 

In tegenstelling tot zijn voorgangers was Van Rijswijck noch van adel, noch gefortuneerd. Zijn vader was journalist, een volksredenaar die grote populariteit had verworven in de Meetingberoering, maar in 1866 de Meeting en de gemeenteraad had verlaten en teruggekeerd was naar de liberalen. Omdat hij vier weken in de gevangenis werd gezet, nadat hij een omkoopaffaire van Meetingpolitici aan het klokzeel had gehangen, en kort nadien was overleden, werd hij voorgesteld als een martelaar voor de liberale zaak en dat aureool ging over op zijn zoon, toen die, 23 jaar oud, na studies in de rechten aan de universiteiten van Leuven en Brussel, terugkeerde naar Antwerpen.

De jonge Van Rijswijck was advocaat en lesgever, was actief in liberale kringen, o.m. het Willemsfonds, waar hij zijn vrouw Adolfine Biemans leerde kennen, die er vaak liederen kwam vertolken. Ze was zes jaar ouder en huwden in 1880, hadden vier kinderen, drie meisjes, waarvan ééntje na zes maanden stierf, en één jongen, die in 1929 in Nederlands-Indië zou zijn overleden. Thuis was de voertaal Nederlands, Van Rijswijck militeerde in de Liberale Vlaamse Bond (die deel uitmaakte van de Liberale Federatie, samen met de Liberale Associatie en de Geuzenbond) en werkte mee aan het weekblad "De Kleine Gazet" dat van 1879 verscheen en waarvan hij in 1881, na een verblijf in Engeland hoofdredacteur werd tot 1889. Omdat hij wekelijks minstens een editoriaal schreef, weten we welke de opvattingen van de jonge Van Rijswijck waren. Hij was flamingant: hij nam aanstoot aan de verfranste Vlamingen die de sociale kloof uitdiepten met de taaltegenstelling. Hij was sociaal progressief en noemde zich "ietwat socialist": hij kwam op voor algemeen stemrecht en voor sociale hervormingen, zoals arbeidsregelingen, mutualiteiten en vakbonden, leerplicht en persoonlijke dienstplicht. Zijn antiklerikalisme zat, zoals bij al zijn liberale tijdgenoten, erg diep. Hij had een briljante pen, was een polemist van groot gehalte, en had een zwierig en direct taalgebruik met een persoonlijke stijl, die ook zijn ongetekende artikels als van zijn hand doen herkennen.

Hij werd in 1889, na de dood van schepen Allewaert, schepen van onderwijs en na de dood van de Wael, na heel wat touwtrekken op 3 november 1892 burgemeester. Het touwtrekken ging uit van de Liberale Associatie, die de hoogste stadsfunctie niet graag uit handen wilde geven, maar geen kandidaat had. De twee schepenen met grotere anciënniteit dan Van Rijswijck haakten af. Arthur Van den Nest, stichter van Bell Telephone en voorzitter van een grote maatschappij in Kongo, aarzelde, maar weigerde. De tweede oudste, Georges Gits, had zijn vertrek uit de politiek al aangekondigd en stelde zich niet beschikbaar. Dat de Associatie Van Rijswijck liever niet wilde, had te maken met zijn progressief en Vlaams profiel. Na twaalf weken aanvaardde ze hem. Van Rijswijck werd gedragen op een grote golf van populariteit, als zoon van en als gevierd spreker. Die populariteit kende vrijwel geen inzinking tot zijn vroege dood in 1906.

Er waren onder zijn burgemeesterschap ingrijpende veranderingen in het stadsbeeld: de pronkerige Leysstraat (1899), het Oostkwartier (Zurenborg), het Zuidstation (1902), het Centraal station (1905), het Lyrisch Toneel (1893) omgezet in de Vlaamse Opera (1907), een synagoge in de Bouwmeestersstraat (1903). Als burgemeester was Van Rijswijck de eerste die een lange traditie inzette met grote toespraken die geheel Vlaanderen bereikten.

De grote ezelsbrug van zijn beleid was de kwestie van de Grote Doorsteek, een katholiek plan van 1894, gesteund door Leopold II, om de Schelde te verleggen tussen het Loodswezen en de Kruisschans. Samen met stadsingenieur Royers bond hij de strijd aan, die op een halve overwinning eindigde, toen de regering gedwongen werd in 1906 om de kwestie naar een studiecommissie te verzenden, waaruit het in feite niet te voorschijn kwam. Inmiddels was inzake havenuitbreiding naar het noorden niets mogelijk, want de regering had de afbraak van het noordkasteel en de omwalling gekoppeld aan de Grote Doorsteek. De stad moest zich tevreden stellen met twee ontoereikende realisaties in een periode van sterke havengroei, die grote overlast in een veel te kleine haven veroorzaakte. Er werden 2000 m zuiderkaaien gebouwd naar Hoboken toe, waar ook de petroleumhandel, tot dan gevestigd in het Amerikadok, werd getransfereerd. Pas in 1902 stemde de regering toe in een kleine verlegging van de omwalling voor twee dokken - waarrond de omwalling op stadskosten terug werd gesloten.

In zijn beleid bleef hij flamingant en de vervlaamsing van het stadsbestuur verbeterde van jaar tot jaar. Zijn sociale reflexen maakten hem geliefd bij de arbeiders en bij b.v. de stakende dokwerkers. In de vele sociale stakingen had hij als regel dat het handhaven van de orde geen slachtoffers mocht maken. De vijf doden voor het algemeen stemrecht op 18 april 1893 vielen in Borgerhout, waar burgemeester-veeweider Moorkens bevel gaf aan de gemeentelijke politie om te vuren. Ook in de dokstaking van 1900 vervulde Van Rijswijck de rol van bemiddelaar en verzoener. Langs de andere kant: hij was een vurige aanhanger van de Kongopolitiek van Leopold II, nam in 1900 ook het initiatief met vier andere burgemeesters om op te roepen voor een vrijwilligerskorps om de Chinezen mores te leren, en was voorzitter van een Naamloze Vennootschap "Les Placers Guyanais" (1899) die in Frans-Guyane naar goud ging delven - een kapitalistisch avontuur dat eindigde op een ramp en zijn laatste jaren versomberde, omdat hij er zijn spaargeld in verloor waarvan zijn gezin na zijn dood moest leven.
Van Rijswijck had een zwakke gezondheid. Hij had erge klachten  vanaf 1896 en nam van af geregeld rust op het buitengoed van zijn  vriend, de Lierse bankier De Pooter. Begin 1903 moest hij de advocatuur opgeven, want hij kon niet meer pleiten. Hij was vaak afwezig op het stadhuis en werd dan vervangen door schepen Desguin. Het ging van kwaad naar erger. Begin 1906 gaf hij zijn ontslag, nadat zijn goede vriend Max Rooses een overlevingspensioen in de gemeenteraad had belopen. Hij overleed in Testelt op 23 september 1906, 53 jaar oud. Hij kreeg een stadsbegrafenis onder massale belangstelling op 27 september. In 1926 werden de  stoffelijke resten van hemzelf en van zijn in 1918 in Engeland overleden vrouw, op het groot erepark op het  Schoonselhof bijgezet.