Bal, Bom en de anderen: Antwerpse scheepsbouwers van de pre-industriële periode (XVIIde en XVIIIde eeuw)

Gustaaf Asaert
6 november 2001

 

De Antwerpse scheepsconstructie van deze twee eeuwen is een onbeschreven blad gebleven. Deze bijdrage is in extenso verschenen in het Liber amicorum prof. John Everaert.
Na 1585 en de zogenaamde sluiting van de Schelde was de Antwerpse scheepsbouw gedwongen kleine rivierschepen op stapel te zetten. De schepen die naar Jerusalem vaarden behoorden definitief tot het verleden. Bij de tientallen types die op stapel werden gezet was de pleit, de typische vrachtvaarder van de Zuid-Nederlandse rivieren en kanalen , het nummer één.
De werven, sinds de zestiende eeuw in de Nieuwstad gevestigd, waren zeer klein. Met een maximale terreinlengte van niet eens 25 meter. De constructie gebeurde onder zogenaamde logiën.
Deze beperkte infrastructuur heeft uiteraard de afmetingen van de productie bepaald.
De schiptimmerlieden waren zeer sterk aan elkaar verwant. Zonen volgden de vaders op, dochters huwden scheepsbouwers, weduwen traden vaak met vakgenoten van de overleden echtgenoot in het huwelijk..
De familiale verbondenheid komt verder nog tot uiting door de compagnonschappen die tussen vader en zoon, eventueel schoonzoon, en door gebroeders werden aangegaan.
Scheepstimmerlui woonden op hun werf. Deze was gelegen in de Nieuwstad, tussen de tweede en de derde vliet, of ten noorden van de derde vliet. Uitzonderlijk woonde een scheepsbouwer aan de zuidelijke stadsrand bij Kronenburg
De werven waren vaak gevestigd op gehuurde stadswerven  met percelen van ongeveer gelijke afmetingen die aan de opvolgers werden doorgegeven.
De ligging, zoals van ouds aan de periferie van het stedelijk territoir, is ongetwijfeld ingegeven door brandgevaar dat de werkzaamheden van koken van pik kon opleveren.
Uit de schaarse aanbestedingen is de conservatieve trend gebleken van de bouw die we ook van elders kennen. De afnemer koos een schip met als model een vaartuig dat reeds in de vaart was en, o menselijke ijdelheid, iets groter mocht zijn dan dat van de concurrent.
Er werd met knechten gewerkt maar over de aantallen hebben we vrijwel geen uitsluitsel.
Hout werd in de achttiende eeuw aangekocht in de bosrijke omgeving van Antwerpen en wel op veilingen in adellijke domeinen.
Het bezit van een eigen houtzaagmolen is mogelijk maar kan niet met zekerheid worden onderschreven.
De scheepsbouw was particulier en de helft van de van stapel gelopen vaartuigen was voor de eigen schipperij bestemd. Occasioneel werd wel eens een oorlogsschip gebouwd.
Behalve nieuwbouw waren de schiptimmerlieden betrokken bij scheepsherstelling, onderhoud van vaartuigen, controle van de stabiliteit, onderhoudswerk, slopen en schatten van schepen.
Afnemers van schepen kwamen uit de Antwerpse regio in ruime zin  en waren overwegend schippers.
Bij aflevering van een nieuw schip werd een deel van de overeengekomen prijs contant betaald. Voor het resterende bedrag werd door de scheepsbouwer krediet verleend dat zich vaak over meerdere jaren heeft uitgestrekt.
Beschrijvingen van nalatenschappen tonen aan dat de schiptimmerlieden tot de bezittende middenklasse van ambachtslieden behoorden die echter op verre na niet het welvaren van de koopliedenstand kon benaderen.
De Antwerpse magistraat gesteund door het schippersambacht heeft een protectionistische politiek gevoerd door de eigen schippers te dwingen bij de plaatselijke werven te kopen.
Op corporatief gebied is de oprichting van een eigen ambacht bij de schiptimmerlieden steeds levendig gebleven. Door hun gering ledental zijn zij evenwel onderworpen gebleven aan grotere en sterkere verbanden. Was dit in het verre verleden het schippersambacht dan is gebleken dat tijdens de hier behandelde periode het houtbrekersambacht de koepel was  waaronder de scheepsbouwers ressorteerden. Opvallend is wel dat het voor een scheepsbouwer mogelijk was het tot hoofddeken te brengen.
Significant is de zware crisis die de Antwerpse scheepsbouw in het midden van de zeventiende eeuw heeft gekend. De dynamische gemeenschap die in het noorden van de Nieuwstad leefde en werkte stierf als het ware uit en de werven lagen verlaten. Nieuw bloed meldde zich nog nauwelijks aan. Deze deplorabele toestand zijn de schiptimmerlieden tijdens het Ancien Regime niet meer te boven gekomen. In de 18de eeuw was de Antwerpse scheepsconstructie een marginale aangelegenheid geworden met slechts enkele meester-scheepsbouwers simultaan actief en waarvan de productie slechts met mondjesmaat uit de bronnen is op te diepen. Het economische herstel naar het einde van de eeuw ging de Antwerpse scheepsconstructie blijkbaar voorbij. Het wordt wachten op Napoleon die met zijn marinearsenaal grote oorlogsschepen op stapel zal zetten, maar dit is een ander verhaal.