Oock quamen by hem meest al de beste gheesten. De gebroeders Hiëronymus, Frans en Ambrosius Francken I in het atelier van Frans Floris en hun carrière in de periode voor de Val van Antwerpen

Natasja Peeters
4 april 2000

 

De drie gebroeders Francken zijn in de literatuur vooral bekend als Florisleerling, en als schilder van altaarstukken na 1585.  De Katholieke restauratie, de daarmee verband houdende nood aan historiestukken, en het vertrek van vele Protestantse schilders na deVal van Antwerpen worden traditioneel als redenen aangegeven voor de plotse en snelle opgang van de loopbaan van de gebroeders Francken op het einde van de zestiende eeuw. Maar diverse getuigenissen geven aan dat zij reeds vóór 1585 op diverse terreinen actief waren.  Tot voor kort was Van Mander de belangrijkste getuigenis over deze beginjaren.
Eén van de eerste historische feiten die van de drie gebroeders bekend werd, is dat ze bij Frans Floris in de jaren 1555-1570 hun opleiding vervolmaakten.  Van Mander bleef in zijn Levens van 1604 erg bondig: slechts enkele paragrafen werpen licht op de loopbaan van de gebroeders Francken.  De kennis van hun leven en werken kon recent d.m.v. zeer verscheiden bronnen aanzienlijk aangevuld en geduid worden.

De oudste, Hiëronymus I (1540-1610), trok in 1566 naar Frankrijk om er te zamen met vele andere Zuidnederlandse schilders actief te blijven.  Hij was, tot aan zijn overlijden, hofschilder onder de opeenvolgende Franse vorsten.  Enkele archiefdocumenten, evenals altaarstukken voor Gentse kerken en bewaarde schilderijen, maken duidelijk dat ook Frans (1542/43-1616) reeds voor 1585 bekendheid genoot.  De jongste van de drie, Ambrosius (1545-1618), was in de jaren 1570 werkzaam als inventor voor verschillende prentuitgevers.

Hoe kan men de aanvang van de loopbaan van de drie gebroeders omschrijven?  Twee aspecten spelen een overheersende rol in de vorming en verdere ontwikkeling van de Franckens als kunstenaars.
1) De opleiding bij Frans Floris was een goede uitvalsbasis, zowel op stilistisch als op professioneel vlak.  De Franckens leerden van hem de schilderstechniek, compositiewijzen en hanteerden in hun werk veelvuldig de 'studiekoppen' die zij in Floris' atelier hadden leren gebruiken.
2) De leertijd bij Floris, toen al één van de bekendste schilders uit zijn tijd, was echter nog om een andere reden belangrijk voor de verdere carrière van de gebroeders Francken, n.l. in het vormen van professionele (en vriendschappelijk) banden met tal van andere kunstenaars en opdrachtgevers.  De impact van Frans Floris was dan ook bijzonder groot.

Het aantal werken dat we heden van de drie gebroeders kennen uit de jaren 1570-1585 is echter beperkt.  We vermelden hier in het bijzonder een Aanbidding der Wijzen van 1571 door Hiëronymus en Frans (Brussel, KMSK), een Laat de Kinderen tot mij komen van ca. 1570 (Brussel, KMSK) van Frans.  Van Ambrosius is heden een vijftigtal prentontwerpen bekend.  In 1579 werkte hij mee aan de Thesaurus  van De Jode.  Vermeldingen van niet-bewaarde schilderijen in archiefstukken (bv. Kaïn en Abel) en vele verwijzingen naar administratieve transacties in de Antwerpse schepenregisters en notarisakten getuigen verder van hun activiteiten en relaties met vele andere burgers te Antwerpen en elders: kunstenaars-ambachtsmensen, uitgevers en religieuzen.

Al deze feiten onderbouwen het beeld dat de Franckens reeds werkzaam waren kort nadat zij het Florisatelier hadden verlaten, tussen 1560-70.  Zij documenteren een bij uitstek dynamisch beeld van de kunstenaars die werkten en leefden in de stad Antwerpen op de vooravond van een troebele periode.  Hun snelle opgang na 1585 hadden zij niet te danken aan een toevallige samenloop van omstandigheden.  De hier gepresenteerde feiten ondersteunen immers het besef dat de gebroeders Francken na 1585 op hun verwezenlijkingen van voor het Calvinistische bestel konden steunen.