Het Mercator-Orteliushuis, Kloosterstraat 11-17

Ivan Derycke
3 oktober 2000

 

Het is geweten dat de bekende cartograaf Abraham Ortelius in de Kloosterstraat heeft gewoond.  Het betrof echter een ander pand, huisnummer 43, dat in 1937 werd afgebroken.  Toch is de benaming Mercator-Orteliushuis niet zonder betekenis: vanaf 1946 tot 1949 waren er plannen om er een aardrijkskundig museum in te richten; het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap van Antwerpen had er in die periode en tot in de jaren 1950 ruimtes ter beschikking voor voordrachten.

Op het einde van de XVde eeuw waren de meeste gronden waarop zich nu het Mercator-Orteliushuis bevond, het eigendom van de patriciersfamilie van Tichelt-van Papendonck.  In de XVIde eeuw wordt het pand verdeeld in drie delen, waarvan twee delen, het meest Noordelijke en het middelste in resp. 1554 en 1561 door de specerijenkoopman Peeter de Deckere gekocht worden.  Zijn tweede zoon Paeschier (1542-1605), gehuwd met de patriciersdochter Christine Boot, koopt er nog een aantal achteraan aanpalende huizen in de Lange Riddersstraat bij waardoor het mogelijk werd de achteruitgang, die er altijd al was, aanzienlijk te verfraaien, een koetshuis te bouwen en een grote tuin aan te leggen.  Hun zoon, de steenrijke financier Peeter Pascual de Deckere sr. (1585-1667), gehuwd met de eveneens zeer bemiddelde Maria Cornelia Houtappel, vrouwe van Ranst, koopt er nog het derde, Zuidelijke pand aan de Kloosterstraat bij maar blijft dit apart verhuren.  Desalnietemin geldt hij als diegene die rond 1619 de voorbouw en de zijvleugels zou aangepast hebben aan de smaak van zijn tijd.  Van dit echtpaar, evenals van hun zoon, de amman ridder Peeter Pascual de Deckere jr. (+ 1691), weten we dat ze zeker in het pand gewoond hebben.

Bij het overlijden van Peeter Pascual jr. zijn er echter financiële problemen en de eigendommen aan de Kloosterstraat met de achteruitgang en de tuin komen uiteindelijk in de handen van de koopman Norbert Schut sr. die er in 1698 de achterbouw met de prachtige achtergevel (in feite voorgevel gezien de ingang in de Lange Riddersstraat) laat oprichten en het pand als geheel gaat gebruiken.  In dit kader gingen zich de handelsactiviteiten van de familie Schut afspelen: een groothandel in garens en aanverwante producten, sterk gericht op de Spaanse markt.  Na het overlijden van Norbert Schut jr. in 1741 wordt het met alle versieringen verhuurd aan de tweede zoon van Balthasar IV Moretus n.l. jonker Simon Franciscus Moretus, wiens weduwe er in 1780 zou overlijden.

De erfgenamen Schut (leden o.m. van de familie Peytier) verkopen het pand in 1790 aan de familie Janssens die tot 1841 eigenaars blijven maar het meestal verhuurden. Volgende eigenaar werd dan Anna Leysen, factoresse en weduwe van Franciscus Haine, die er een harsoliefabriek zou uitbouwen maar er ook zelf ging wonen. Wanneer de gebroeders Peeters, kopergieters, het pand in handen krijgen in 1871 gaat het verval intreden.  Zij hebben de oppervlakte (2325 m²) gehalveerd door de verkoop van een groot deel van de tuin, allerlei werkhuizen ingericht, de voorgevel aan de Kloosterstraat verbouwd opdat er verschillende woningen en winkels of cafés in het pand zouden komen.  Beterschap kwam er niet toen de firma J.G. De Conick, een verffabriek, er een stapelplaats inrichtte.  Uiteindelijk kwam er ook nog een zelfwasserij in de ingekrompen tuin waarbij niet werd geaarzeld sommige gebouwen tot tegen de fraaie achtergevel te plaatsen.  Rond de Tweede Wereldoorlog gingen er stemmen op om het sterk verknoeide pand af te breken.