Generaal François Nicolas Benoit Haxo (1774-1838) en de belegering van de citadel van Antwerpen in 1832

Piet Lombaerde
5 december 2000

 

Op een Duitse eigentijdse prent, waarop de laatste fase van de belegering van de Antwerpse citadel in 1832 wordt voorgesteld, staat te lezen:
‘General Chassé stand an der Spitze der braven holländischen Besätzung; Marschall Gerard befehligte die kühnen Franzosen, General Haxo leitete die Geniearbeiten’.

Onderhandelingen tussen Engeland, Nederland, het jonge België en Frankrijk leidden op 22 oktober 1832 tot het Verdrag van de 24 Artikelen, volgens hetwelk België en Nederland elkaars bezette landsdelen vóór 12 november van hetzelfde jaar dienden te ontruimen. België volgde deze bepaling op en ontruimde een deel van Luxemburg en Limburg, maar het Hollandse leger weigerde de citadel van Antwerpen, alsook een aantal Scheldeforten te verlaten. .
   Om aan deze vastgelopen situatie een einde te maken, werd door koning Leopold I aan Frankrijk officieel gevraagd om militair tussen beide te komen.  Door de Franse koning Louis-Philippe werd een legermacht bijeengeroepen onder leiding van generaal graaf Gérard (1773-1852), commandant van het noordelijk leger (Armée du Nord).
Haxo maakte deel uit van de leiding in hoedanigheid van commandant van de genie van het Noorderleger.
   De belegering van de Zuidcitadel was in de eerste plaats een onderneming geleid door de genie. De artillerie kwam pas in tweede instantie tussen, nadat de werken van de genie gerealiseerd waren. En pas daarna traden de infanterie en cavalerie op. Om deze redenen is de tussenkomst van Haxo bij deze operatie van hoofdbelang geweest . Zij geschiedde volledig volgens de principes van de Franse maarschalk Vauban.
   Het belangrijkste in de methode van Vauban is de combinatie van parallellen, ricochetvuur en bresschieten, en dit alles volgens zijn systeem van drie parallellen.
Volgens Haxo was de inname van de lunette St.-Laureis noodzakelijk alvorens de bresbatterijen konden opgesteld worden. Wel zou deze beslissing ertoe leiden dat de belegeringsduur verlengd werd en ingewikkelder was. Maar anderzijds zou daardoor het aantal slachtoffers bij de belegeraar verminderd worden.
  De eerste parallel werd in de nacht van 29 op 30 november gegraven en lag tussen de lunette Montebello en de oude Boomse weg. Om de lunette St.-Laureis te benaderen werd in de nacht van 3 op 4 december op slechts 80 m afstand van dit gedetacheerd werk de tweede parallel gegraven. In zijn dagboek zou Haxo melding maken dat de nacht van 8 op 9 december een der meest moorddadige was voor het Franse leger.  Tijdens de nacht van 9 op 10 december - onder zeer dichte mist- werd de derde parallel tussen de St.-Laureislunette en de joincte gegraven. De bedoeling van Haxo bestond erin deze lunette eerst aan te vallen, alvorens de bresbatterij, gericht tegen het bastion Toledo, zou geïnstalleerd worden. Tijdens de nacht van 13 op 14 december werd de lunette bestormd en veroverd; een zestigtal soldaten en officiers werden krijgsgevangen genomen. Deze verovering werd door de Fransen als een groot succes beschouwd. Maarschalk Gérard schreef hierover aan zijn minster: ‘De onderneming geleid door generaal Haxo had voor mij een onverhoopt succes, en dit dank zij de handigheid van deze generaal’.  Nadat de verdedigers van de bedekte weg werden verjaagd , werd op 14 december ‘s morgens door de Genie gestart met de aanleg van de zogenaamde bekroning van de bedekte weg ter hoogte van de linker face van het bastion van Toledo. Daar werd de bresbatterij opgericht, op amper een afstand van 40 m van de escarpemuur, welke men wilde onderwerpen aan bresschieten. Vanaf toen werd onophoudelijk geschoten door de Hollandse artilleristen, met een gemiddelde van 750 projectielen per dag.
 Tijdens de nacht van 17 op 18 december opende de Genie een nieuwe verbindingsloopgracht vertrekkend van de vierde parallel ter hoogte van de rechter face van het bastion van Toledo. Op 21 december werd de bresbatterij geïnstalleerd. Zij werd nabij de vierde parallel tegenover de halve-maan opgesteld. Twee dagen van aanhoudelijke beschieting volstonden om een bres van 25 à 30 cm in de linker face van het bastion van Toledo te bekomen. Tijdens deze beschietingen werd het monstermortier van 60 cm ingezet en vuurde 8 bommen af, waarvan er één een opening van 3 m in courtine 1-5 veroorzaakte.
   Generaal Chassé zag dat de toestand hopeloos werd en verzamelde op 22 december zijn Krijgsraad. Op 23 december om 10u stopten alle oorlogsverrichtingen en de akte van capitulatie werd om 20 uur ‘s avonds getekend. Op 24 december werd ‘s namiddags om 16u door maarschalk Gérard een bezoek gebracht aan Chassé in zijn beroemde kazemat. De overgave zelf vond plaats op het glacis van de lunete Kiel.
   De forten langs de Beneden-Schelde (Burcht, Zwijndrecht, Auwstruweel, Sint-Maria, Filips-, Kruis- en Frederik-Hendrikschansen) en het Vlaams Hoofd werden aan België overgedragen, maar de forten Lillo en Liefkenshoek bleven in Hollands bezit.  Op 10 januari 1833 had het ganse Noorderleger het Belgisch grondgebied verlaten.
   Zelfs na de inname van de citadel zou de naam van Haxo verbonden blijven met de versterkingswerken van Antwerpen:

  • Haxo zou na de inname van de citadel adviezen geformuleerd hebben om de verdediging van de citadel te verhogen, in het bijzonder m.b.t. de halve maan en de St.-Laureislunette.
  • zijn eigen uitvinding van de gekazematteerde batterij zou ook in verschillende gedetacheerde forten rond Antwerpen en in forten langsheen de Schelde toegepast worden. Kazematten ‘à la Haxo’ zijn kamers die achteraan open zijn, overwelfd met een taps toelopend gewelf in baksteen, bedekt met een laag aarde. Rookafvoer gebeurt in het hoogste gedeelte, waar een verticale verluchtingsopening is aangebracht.
  • ten derde en tot slot zou Haxo ook onrechtstreeks invloed uitoefenen op de ideeën van Brialmont voor de nieuwe verdediging van Antwerpen. Zoals gekend, werd de verdeding van Parijs als voorbeeld genomen. Zoals reeds vermeld, heeft Haxo het eindproject hiervan mede bepaald door te pleiten voor een aaneengesloten versterking, omringd met een gordel van gedetacheerde forten. Dit model van versterking werd dan ook te Antwerpen toegepast, met het enige verschil echter dat voor de verdediging van de Scheldestad het polygonale systeem verkozen werd boven het gebastioneerde.