Dr. Alfons Gielens: een vergeten archivaris

Gustaaf Asaert
2 mei 2000

 

Gielens werd te Ekeren geboren op 15 maart 1877 als zoon van de smid Louis-Martin en van Joanna Kaey.  Hij deed zijn militaire dienst bij het 10de linieregiment te Leuven in de jaren 1897-1901 en combineerde dit met universitaire studies in de geschiedenis. Hij promoveerde in 1901 met een thesis over de visitatiën of onderzoeken in de Leuvense Hogeschool, o.a. deze verricht in 1673 door Libertus de Pape, prelaat van de Parkabdij.
G. trad in dienst bij het Rijksarchief, eerst te Luik als “employé” in 1903.
In 1907 werd hij adjunct-conservator bij het Antwerpse Rijksarchief, in 1914 “conservateur à titre personnel” en in 1919 tot zijn overlijden leidend ambtenaar.
Als rijksarchivaris ontsloot G. diverse archiefbestanden waarvoor hij inventarissen en toegangen opstelde.
Verder zette hij zich in om zijn bestanden van gemeentearchief en notariaat met aanwinsten te vergroten en verrichte inspectietaken bij de archiefvormers van zijn ambtsgebied.
Na de Grote Oorlog werd hij lid en secretaris van het Antwerps provinciaal comité van de Commissie van Oorlogsarchieven, opgericht bij Koninklijk Besluit van 15.11.1919, met als doel het verzamelen en inventariseren van documenten betreffende oorlog en bezetting. In 1929 vroeg de provinciegouverneur hem deel uit te maken van het Provinciaal Comiteit van Antwerpen ingesteld tot herdenking van de honderdste verjaring van 's Lands Onafhankelijkheid. In 1930 werd werkte G. mede aan de tentoonstelling van oude Vlaamse kunst bij de Wereldtentoonstelling.
In 1925 werd G. aangezocht om te zetelen in een nieuwe provinciale commissie die werd opgericht onder de benaming Provinciaal Comiteit voor geschiedkundige en folkloristische opzoekingen. Onder meer ook G. die zal lid blijven tot zijn overlijden in 1942.
Toen de commissie in 1937 besloot een tijdschrift op te richten werd een driehoofdige redactie voorzien met G. als verantwoordelijke voor geschiedkundige zaken.
G. werd ook lid  van de Provinciale Commissie voor het uitgeven van de graf- en gedenkschriften die in 1851 was opgericht maar in 1930 nieuw leven werd ingeblazen.
Naast zijn medewerking aan de genoemde commissies was G. ook zeer bedrijvig als voordrachtgever,  voornamelijk aan de Wetenschappelijke Vlaamse Congressen en aan de Vlaamse Philologencongressen. Zo hield hij een referaat op het 3e Vlaamsch Philologencongres te Gent, in 1920, over “Onze taal op de Vredescongressen in Den Haag (1608) en Antwerpen (1609)”. Tijdens de algemene vergadering van dit congres voerde G. het woord “Over de geschiedenis onzer taaltoestanden in het algemeen”.
Op het Vlaamsch Philologencongres te Leuven in 1938 had Gielens het in een lezing over “De culturele rol der archieven”.
Diverse lezingen en bijdragen behandelen het taalgebruik in onze gewesten in het verleden..
G. was een katholieke flamingant die zich radicaal Vlaams heeft opgesteld. Hij was de eerste rijksarchivaris die besliste zijn inventarissen in het Nederlands op te stellen  wanneer het bestand grotendeels in het Nederlands geschreven documenten bevatte. Hij mag er ook prat op gaan als eerste een archiefbijdrage in het Nederlands te hebben gepubliceerd in het vaktijdschrift Archives, Bibliothèques et Musées de Belgique en wel in 1931.
Het opstellen van een beknopte inventaris van het archief van de Brede Raad, voor een deel bewaard op het Antwerpse Rijksarchief, heeft zeker de belangstelling van G. voor deze instelling aangescherpt, vooral wat de periode 1577-1585 aangaat. Dit bracht hem tot de studie van Oranje en Marnix. Meerdere lezingen heeft hij aan deze figuren gewijd en ook een uitgebreide niet gepubliceerde studie over het burgemeesterschap van Marnix geschreven waarvan de tekst in zijn nagelaten papieren op het Rijksarchief te Antwerpen berust.
Naast dit magnum opus schreef hij twee bijdragen over het Twaalfjarig Bestand namelijk “Onderhandelingen met Zeeland over de opening van de Schelde” en “Antwerpen en het Twaalfjarig Bestand”. Verder ”Een plan van verstandhouding tusschen Noord- en Zuid-Nederland in 1607-1609”. Van zijn hand zijn er verder nog zeven artikels betreffende Oranje, Marnix en Anjou .
Aangezien het  ambtsgebied van de rijksarchivaris zich over de Antwerpse Kempen uitstrekte ligt het voor de hand dat hij ook aan het verleden van de Kempen aandacht  heeft besteed.
Op 5 november 1927 huwde hij te Antwerpen Joanna Stassen, (1889-1979). Tot aan zijn huwelijk woonde hij in Ekeren, vervolgens te Berchem en vanaf 1941 in Westmalle.

Literatuur:
In memoriam Dr. Alfons Gielens. In: Tijdschrift voor Geschiedenis en Folklore, 5, (1942), p.115.
J. L[auwerys], In memoriam Dr. Alfons Gielens (15.3.1877-1.3.1942). In: Jaarboek Hoogstratens Oudheidkundige Kring (1940-1947), p. 15-16.
H. Coppens & R. Laurent (red.), Het Rijksarchief in België – Les archives de l’Etat en Belgique 1796-1996. Geschiedenis van de instelling en bio-bibliografisch repertorium van de archivarissen. Miscellanea Archivistica. Studia, 86. Brussel, 1996, p. 360.
G. Asaert, Alfons Gielens (1877-1942) een vergeten archivaris. In: G. Janssens, G. Maréchal, F. Scheelings (red.), Archiefinitiatie(f) 4. Door de archivistiek gestrikt. Liber amicorum prof. dr. Juul Verhelst, Brussel, 2000, pp.55-66.
G. Asaert, Alfons Gielens 1877-1942, rijksarchivaris en lid van de provinciale commissie voor geschiedenis en volkskunde. In: Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde, jaarboek 1999-2000, Antwerpen 2001, pp.137-150.