De Antwerpse liberale burgemeesters 1872-1921. 1. Leopold de Wael 1872-1892

Lode Hancké
7 november 2000

 

Bij de verkiezingen van 1 juli 1872 versloegen de Antwerpse liberalen erin het Meetingbestuur met een nipt verschil van 67 stemmen. Zo werd een liberaal schepencollege gevormd, waarin Leopold de Wael burgemeester werd. Hij zat in de traditie van zijn voorgangers, die ofwel van adel ofwel gefortuneerd waren. Hij was beide. Zijn voorouders waren in 1739 jonkers geworden. Hij behoorde ook tot de rijke aristocratie. Hij groeide op in het kasteel Veltwijck in Ekeren als vijfde kind in een gezin van twaalf. Zijn vader, Charles de Wael, was handelaar, zijn moeder, Isabella Vermoelen, was een dochter van de Antwerpse burgemeester van 1814-1817, zijn zuster Bathilda huwde met de broer van de katholieke burgemeester Le Grelle (1831-1848), en zelf huwde hij Gabriëlle Van Gend - van de familie, die met de vorige liberale burgemeester Frans Loos (1848-1862) een verzendingsbedrijf (Van Gend en loos) leidde, dat nog altijd bestaat. Pas in 1884 besliste een rechtbank dat de naam Dewael mocht gesplitst worden met een kleine de.

Over zijn opleiding is niets bekend. In zijn 16e levensjaar, in 1838, kwam het gezin terug in de Kammerstraat wonen. Hij ging in de handel, huwde in 1862 de 18-jarige Gabriëlla, had twee zonen en drie dochters, woonde in de Warandestraat (nu Kon. Elisabethlaan) en nam zijn intrek in 1868 in de woning Leopoldlei (Belgiëlei) 154. Hij was in 1860 voor de Liberale Associatie gekozen in de provincieraad, en werd als burgemeester tweemaal voor twee jaar gekozen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers (1878 en 1882). Zijn moedertaal was Frans en hij verontschuldigde zich soms voor zijn gebrek aan Nederlandse taalkennis.

De liberale overwinning van 1872 werd gevolgd door een het ontstaan van tientallen liberale volkskringen in de wijken, die het bewind een steeds groter maatschappelijk draagvlak gaven. De meerderheden werden steeds groter onder zijn bewind en vermits alle zetels gingen naar de partij die de volstrekte meerderheid behaalde, was de gemeenteraad volledig liberaal. Het beleid danste op twee benen: enerzijds was er een volkse basis, anderzijds was er een sterke osmose tussen de groothandel en het beleid.

In de twintig jaar van zijn burgemeesterschap voerde de Wael het programma uit dat hij op 2 september in de gemeenteraad ontvouwde: verzoening met de dynastie, waarmee de relaties onder het meetingbestuur waren verzuurd; ontwikkeling en laïcisering van het stedelijk onderwijs, behoud van het Vlaams karakter van de stad, havenexpansie. Hij schuwde de confessionele strijdvragen ("de strijd tegen het klerikalisme") niet - de onderwijskwestie, de kwestie van de bgraafplaatsen, waar hij tegen de geestelijkheid in de zog. "verdoemdenhoek" deed verdwijnen. Inzake de haven  had hij het aan de stok met premier Malou, die de Scheldekaaien terug in staatsbezit wilde nemen en die hij tot de terugtocht dwong. Onder zijn bewind werd het kattendijkdok verlengd en voorzien van nog eens zes droogdokken,  werd het Houtdok verlengd, en het Lefebvre- en Amerikadok gebouwd. Bovendien werd de rechttrekking van de Scheldekaaien over 3500 m voltooid, niet alleen een technisch hoogstandje, maar ook een politieke gok - want er werden 650 huizen onteigend en hun eigenaars konden zich tegen het stadsbestuur keren - maar de Wael loste dat op door vergaderingen én hoge vergoedingen, die de liberale regering betaalde. De kaaien kwamen op 82 miljoen, of ca 23500 F per lopende meter - in het Amerika- en Lefebvredokken kostten ze 2800 F/m. Met hem begon ook de aanhechting van delen van andere gemeenten, zoals de wijk Dam die overgeheveld werd van Merksem in 1861 en de afstand van 171 ha door Oosterweel voor de noorderdokken.

Het liberaal beleid had nog een ander aspect: brood en spelen. Er waren geregeld grote feesten: de vrijmaking van de Schelde, de strijd tegen Terneuzen in 1876, de Blijde Intrede van Leopold II in 1873 en zijn driedaags bezoek in 1874, het Rubensfeest van 1877 enz, naast de jaarlijkse carnaval, die telkens vele klachten uitlokte,  ommegangen en stoeten. Er kwamen standbeelden in de stad: dat van Brabo (1887), Jordaens (1886); Metsijs (1879), Theodoor Van Rijswijck (1884). De oude "pépinière" werd het Warandepark. Op sociaal gebied werd het lijkdragen door de kinderen uit de stedelijke wezenhuizen afgeschaft, er kwam een zwembad (verbonden met de Schelde, dat verdween met de bouw van Zuidstation en dat vervangen werd door het zwembad-Zuid in de Brederodestraat), dat in 1877 ook voor vrouwen toegankelijk was, in 1877 kwam het slachthuis tot stand en er werden twee wezenhuizen en het Stuivenbergziekenhuis gebouwd.

Leopold de Wael verloor zijn vrouw in 1887 na een lang ziekbed - ze was 43. Op de begrafenis van Jan Van Beers in 1888 kreeg hij een eerste beroerte, herstelde enigszins, maar kreeg een tweede in het station, toen hij op 14 augustus 1892 de koning opwachtte voor de Ommegang. Hij overleed officieel op 17 augustus, maar er is vaak beweerd dat zijn vroegere dood geheim werd gehouden om de hoogdagen voor de handel t.g.v. de driedaagse feesten niet te bederven. de Wael werd kerkelijk begraven. Zijn naam werd gegeven aan het plein voor het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, dat in 1890 was geopend.