Buitenlieden onder Antwerpse vlag: immigratie van vreemde schippers in de metropool, 1559-1585

Gustaaf Asaert
9 november 1999

 

Tussen 1559, de vrede van Le Cateau-Cambrésis, en 1585, de overgave van de Scheldestad aan Parma, kende Antwerpen aanvankelijk een beloftevolle economische opgang. De eerste jaren van de golden sixties werden echter vlug gevolgd door crisissen en een geleidelijke regressie met als dieptepunt de jaren 1572-1576. De verbinding met de zee was dan ernstig gehinderd door de verovering van Vlissingen door de Watergeuzen in 1572. Toen de metropool de zijde van de Opstand koos in 1577 vielen deze beletselen weg en kwam op maritiem gebied een kort herstel tot stand. Het beleg van 1584-1585 stelde hieraan opnieuw een einde.

De jaren 1559-1585 werden gekenmerkt door een forse immigartie waarvan de aantallen sterk beïnvloed werden door de economische conjunctuur. Van de ongeveer 7.500 nieuwe poorters waren er 435 die het beroep schipper hebben opgegeven. Het aantal schippers-nieuwe poorters lag op een hoog peil tijdens de jaren zestig maar liep in de tweede helft van dit decennium aanzienlijk terug. In 1577 kwam er een nieuwe stijging waaraan in 1579 een einde kwam om in de jaren tachtig scherp terug te vallen.

Naar herkomst kwam de grote meerderheid van deze schippers-migranten uit de Zuidelijke Nederlanden (Vlaanderen en Brabant). Vooral van de turfgebieden van het land van Waas en van Noord-Brabant kwamen vele kandidaten. Deze regio’s hadden sinds lang een band met de Scheldehaven, tot stand gekomen door de aanvoer en distributie van turf voor de huisbrand.

Het poorterschap was uiteraard de sleutel nodig voor toetreding tot het schippersambacht. Eenmaal dit gerealiseerd bestond er klaarblijkelijk geen discriminatie tussen de neofieten en de autochtonen. Schepen van nieuwe poorters werden door de stad van artillerie voorzien, net zo goed als voor de ingeboren poorters. Er zijn verder voorbeelden bekend van allochtonen die zelfs konden opklimmen tot het dekenschap van het schippersambacht, bovendien was één van hen zelfs gezagvoerder op een oorlogsschip tijdens het Parmabeleg.

De nieuwe poorters bleven vaak relaties onderhouden met hun plaats van herkomst door de vaart naar deze voor hen bekend gebleven wateren.

Naast deze nieuwe burgers dienden op de Antwerpse handelsvloot ook vele vreemdelingen die nooit het poorterschap hebben verworven. Sommigen waren gezagvoerder op een schip dat eigendom was van Antwerpse kooplieden, anderen stonden als scheepsvolk onder bevel van een Antwerpenaar.

Om religieuze, politieke en economische redenen zijn een aantal schippers in de besproken periode ook in de emigratie terecht gekomen. Dit gegeven werd echter niet behandeld.