Rubens en zijn relaties aan het aartshertogelijke hof

Luc Duerloo
3 november 1998


De aartshertogen Albrecht en Isabella benoemden Pieter-Paul Rubens op 23 september 1609 tot peintre de nostre hôtel. Daarmee verbond het vorstenpaar zijn naam met het grootste artistieke talent dat op dat moment in de Nederlanden voorhanden was. De banden met de Antwerpse meester werden nog sterker aangehaald in 1614, wanneer Albrecht het peterschap over Rubens’ oudste zoon aanvaardde. Ondanks deze uiterlijke tekenen van waardering heeft Rubens voor 1621 - datum van de dood van Albrecht - slechts weinig opdrachten voor de aartshertogen uitgevoerd. De belangrijkste opdrachten die hij van het hof kreeg, kwamen alle na die datum, net zoals Rubens’ diplomatieke arbeid overigens, die ook onder de landvoogdij van Isabella een aanvang nam.
De verklaring hiervoor moet mogelijkerwijze gezocht worden in de contacten die Rubens aan het Brusselse hof had. Uit de geschriften van Filips Rubens weten we ten eerste dat de familie aan Peter Peckius, kanselier van Brabant en lid van de Raad van State, verwant was. Via Peckius was er ook een band met diens schoonbroer, aartsbisschop Boonen. De familie Peckius-Boonen plaatste ten minste twee opdrachten bij Rubens: het bekende portret van de kanselier en een Aanbidding der Wijzen voor het klooster van de Brusselse annunciaten. Een tweede filière loopt naar Nicolaas Damant. de voorganger van Peckius als kanselier van Brabant. Rubens schilderde een epitaaf voor zijn graf in de Sint-Goedele. Damant had sterke Antwerpse connecties, zijn broer was er amman en zijn neef, Hendrik de Varick, schout. Langs de Varick liepen er ook verwantschaplijnen naar van Berchem-Perez-Rockox. Een enger contact met de meester is moeilijk denkbaar. Ten derde waren er de banden met vader en zoon Richardot, de chef-president en de aartsbisschop van Kamerijk. Ook voor Jean Richardot sr. werkte Rubens een tijdlang aan een epitaaf. Het was trouwens Richardot die Rubens zijn eerste aartshertogelijke opdracht bezorgde.
Het merkwaardige is dat deze groepen families met vertegenwoordigers aan het hof stuk voor stuk verwant waren aan één van de drie grote facties aan het hof, met name de Bourgondische. Richardot was er tot aan zijn dood in 1609 - kort na de aanstelling van Rubens - de spilfiguur van, maar de achterliggende banden leidden alle naar het geslacht Perrenot de Granvelle. Kan het zijn dat gunst en ongenade van deze Bourgondische factie de aartshertogelijke belangstelling voor de Antwerpse meester mee bepaalde?