Het bonte leven in een herbergzame buurt: het huizenblok Oude Koornmarkt-Hoogstraat-Reyndersstraat ter studie

Ivan Derycke
3 maart 1998


Een samenwerking tussen archeologie en geschiedenis om de studie van de materiële cultuur van de Antwerpenaar tijdens het ancien régime verder te helpen, lijkt evident maar is het niet. De archeologische en historische bronnen sluiten niet of slecht bij elkaar aan. Vooral de zoektocht naar bewoners is een bijzonder lastige queeste waarbij diverse bronnen moeten aangeboord worden: alle verwijzingen in de schepenbrieven rond de kopers en verkopers (naar testamenten, boedelinventarissen, weesmeesterskamers) moeten worden nagekeken, eventuele rekwesten van bewoners van een straat opgespoord. Bijzonder belangrijk zijn een hele reeks fiscale bronnen (kohieren van de burgerwacht en van de penningen) die echter zowel wat de namen van de huizen als de huurwaardebepaling betreft, met de nodige omzichtigheid moeten behandeld worden. Een andere bron om personen een beroep (handelsactiviteit) toe te kennen zijn de straatnaamlijsten van de meerseniers.
Het huizenblok Oude Koornmarkt-Hoogstraat-Reyndersstraat behoort net niet tot de oudste delen van de stad van voor 1200 maar werd meteen binnen de eerste stadsuitbreiding van rond 1200 opgenomen. De Hoogstraat was echter de verbindingsweg tussen de stad en de Sint-Michielsabdij terwijl de Oude Koornmarkt en de Kammenstraat aan de weg naar Leuven, Mechelen en Brussel lagen. Dat er dus ruim voor 1200 bewoners waren aan deze uitvalswegen zou ons niet mogen verwonderen. Bewijzen leveren hiervoor is echter wat anders.
De Hoogstraat was in de XVde eeuw de straat van het stedelijk pariciaat (Vileyn, Coelputte, van Berchem) en een aantal rijke families (Clarenssone). In de XVIde eeuw waren de grote lakenhandelaars massaal aanwezig (meer dan de helft uit een document van 1581 alleen al in het bestudeerde stuk). Ook in latere eeuwen blijft de handel in kleding en textiel belangrijk zij het minder uitgesproken.
De Oude Koornmarkt was in de XVde en een stuk van de XVIde eeuw de straat van de grote herbergen en van de Duitse kooplieden (De Cluyse). Later werd het meer een algemene winkelstraat.
De Reyndersstraat heeft een trage urbanisatie gekend (tot 1610) en was lange tijd vooral een achterstraat ter bevoorrading van de rijke panden op de Hoogstraat en de Oude Koornmarkt. Later werd het een winkel- en ambachtenstraat met een opvallende concentratie van stoeidraaiers.
De Pelgrimstraat ontstond op osiedruppen en op het traject van een aantal gangen die we nu de Vlaaikensgang noemen. Ze werd waarschijnlijk getrokken in opdracht van de familie l’Hermite-de Meere, die achter het pand “De Kevie” aldus 12 huizen kon bouwen. Het werd een straat voor ambachtslui (peltiers) winkeliers en herbergen. De Vlaaikensgang verloor haar functie als weg naar stallen en pakhuizen en werd een beluik.