Historiek

Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Genootschap werden wij op zaterdag 6 oktober 2001 ontvangen op het stadhuis door drie schepenen-historici n.l. de heren Antonis, Pairon en Van Peel.

Onze voorzitter, dr. G. Asaert, hield toen volgende gelegenheidstoespraak, gericht aan dhr. E. Antonis, schepen van cultuur:

Mag ik U oprecht danken, mijnheer de schepen, zowel voor de eervolle ontvangst in dit mooie raadhuis als voor de vriendelijke bewoordingen die U aan het Genootschap hebt gericht. Wat dit laatste betreft heb ik natuurlijk niet anders verwacht van een schepen die zelf een vakhistoricus is.Door ons hier te willen ontvangen is een circel van driekwart eeuw gesloten. Het is immers in dit fraaie gebouw dat het Genootschap is ter wereld gekomen, niet in deze kraamkamer maar zeer passend in hogere regionen en wel onder het dak waar destijds het stadsarchief zijn penaten had opgeslagen. Daar greep in november 1926 een eerste vergadering plaats waar de mogelijkheden tot stichting van een Genootschap voor Antwerpse geschiedenis werden onderzocht, een vereniging openstaand voor al diegenen die het Antwerpse verleden aan de hand van een streng bronnenonderzoek wilden bestuderen. In een volgende vergadering op 19 januari 1927 werd een brief van burgemeester Van Cauwelaert voorgelezen waarin deze mede deelde dat hij het aangeboden erevoorzitterschap aanvaardde. Dit wijst van bij de aanvang reeds op een uitstekende relatie met het stadsbestuur, relatie die zich in de loop van de jaren heeft kunnen handhaven.

Ik moge ook wijzen op twee belangrijke punten bij de stichting 75 jaar geleden: onze vereniging wilde van meet af een Vlaamse vereniging zijn. De ééntalig Nederlandse benaming, niet zo vanzelfsprekend in het interbellum, is een duidelijke aanwijzing, en ten tweede mag ik ook onderstrepen het pluralistisch karakter van het Genootschap, evenmin voor de hand liggend in de jaren twintig, toch jaren van een sterke verzuiling. Mensen van diverse filosofische en religieuze overtuigingen hebben in deze 75 jaar moeiteloos samengewerkt. Dat wil ik beklemtonen. Ook is de overgrote meerderheid van de Antwerpse historici lid geweest van ons gezelschap. Sommigen zijn zelfs verheven tot de eer, niet van de altaren, maar van de straatnamen. Wat in deze stad niet zo voor de hand ligt. Het is voor een schepen veel makkelijker een straatnaam te krijgen dan wel een historicus. Dit even terzijde, mijnheer de schepen.

Wanneer ik de uitnodiging van de eerste werkvergadering bekijk dd. 13 februari 1927 dan stel ik vast dat E.H. Philippen, archivaris van de COO, voorzitter was, dat Robert van Roosbroeck als secretaris fungeerde en dat er twee lezingen werden gehouden. De spits werd afgebeten door Dr. Maurits Sabbe, conservator van het Museum Plantin-Moretus over “Een geschil tusschen de E.P. Hieronymieten van het Escuriaal en de familie Moretus". De tweede lezing werd uitgesproken door Dr. Floris Prims, stadsarchivaris b.k. over "De Toestand der Antwerpsche Historiografie". De hier uitgesproken namen kunnen reeds wijzen op de verschillende obedienties van deze mensen. De lezing van Prims kan als programatisch worden gezien. Spreker stelde dat het noodzakelijk was in de toekomst de Antwerpse geschiedschrijving grondig te herzien, zich meer toe te leggen op de ontsluiting van bronnen en deze kritisch te gebruiken voor monografisch werk. Maar besloot de kanunnik: elke synthese over Antwerpse geschiedenis is nog voorbarig. Een bevreemdend standpunt want precies één jaar later verscheen het eerste deel van zijn monumentale Geschiedenis van Antwerpen.

Het is U, mijnheer de schepen, als collega-historicus bekend welke krachtige ontwikkeling de Antwerpse historische productie sedertdien 1926 zowel kwalitatief als kwantitatief heeft gekend. Het Genootschap mag er prat op gaan hier bouwstenen te hebben aangevoerd met de waardevolle publicaties die onder mijn voorgangers zijn tot stand zijn gekomen. Wij hopen over afzienbare tijd een nieuw werk aan deze reeks toe te voegen onder de titel Van Belle Epoque tot Golden Sixties. Antwerpen in de twintigste eeuw.
In dit werk in statu nascendi komt een bijdrage onder de titel “Universiteit en wetenschappelijk onderzoek” van de hand van ons medelid emeritus prof. Piet Lenders. Ik ben zo vrij hier uit enige gedachten te lichten. Men zou de werkelijkheid tekort doen met de bewering dat voor de oprichting van de universiteit er geen wetenschappelijk onderzoek in Antwerpen zou zijn geweest. Er waren immers, aldus Lenders, tal van researchcentra die bedrijven of besturen op de toekomst moesten voorbereiden. En Lenders citeert onder meer het wereldwijd bekende Instituut voor Tropische Geneeskunde, de Koninklijke maatschappij voor Dierkunde, het Ruusbroecgenooschap, dit jaar ook 75 jaar jong, het Antwerpsch Kruidkundig Genootschap, de Société royale de géographie d'Anvers en het Vlaams Aardrijkskundig Genootschap. Naast deze verenigingen, aldus pater Lenders, mag het Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis worden geplaatst dat maandelijkse colloquia voor universitair gevormden organiseert en af en toe synthesewerken publiceert met het verleden van onze stad als onderwerp.

Wij hopen, Mijnheer de Schepen, en ik ben zeker de tolk van onze hier aanwezige leden, de weg gebakend door onze voorgangers verder te zetten, de Antwerpse wetenschappelijke geschiedschrijving ten bate, en danken het Stadsbestuur nogmaals voor deze voor ons zeer eervolle ontvangst.